Chailly's Beethoven in de geest van Strawinsky

De serie concerten die het Koninklijk Concertgebouworkest dezer dagen geeft onder leiding van chef-dirigent Riccardo Chailly als voorbereiding op een tournee naar Kiel, San Sebastián, Santander, Luzern en Baden-Baden, is ook het begin van een Beethovencyclus die zich over enkele seizoenen zal uitstrekken. Het complete symfonische werk van Beethoven wordt daarin gecombineerd met moderne componisten die aan hem refereren of met andere muzikale vernieuwers: gisteravond Strawinsky.

De Beethovencyclus begon passend met de Eerste symfonie (1799-1800), voorafgegaan door de ouverture Egmont (1810). De ouverture leverde Chailly's antwoord op de moeilijke stilistische vraag wèlke Beethoven uit te voeren. De Beethoven die zich nog helemaal moest ontwikkelen en in het Wenen van Haydn de negentiende eeuw binnenstapte met nog één been in de achttiende eeuw? Of de Beethoven zoals we hem na twee eeuwen kennen: de componist die met zijn symfonische en pianistische oeuvre goeddeels de negentiende eeuw zou beheersen?

Anders dan Frans Brüggen, die onlangs Beethovens vijf pianoconcerten liet uitvoeren op verschillende `authentieke' vleugels uit de ontstaanstijd van de muziek, kiest Chailly duidelijk voor de laatste optie. Zijn Beethoven is dé Beethoven, de radicale hervormer van de symfonische vorm. Dat blijkt al uit zijn Eerste symfonie en dat wordt bevestigd door de tien jaar later gecomponeerde ouverture Egmont. De ouverture is een mini-symfonie en spreekt in Chailly's interpretatie dezelfde stevige taal als de Eerste symfonie, die zelfbewust klinkt, bepaald niet het werk van een behoedzame beginneling.

Beide stukken beginnen ook gelijksoortig. Beethoven plaatst in zijn openingsakkoorden een aantal zuilen — in de ouverture door Chailly zeer monumentaal gekarakteriseerd — en bouwt daarop de rest van het werk. In de Eerste symfonie ligt al veel van de volgende acht symfonieën besloten, zo horen we nu, anders dan het Weense publiek bij de première op 2 april 1800 tijdens een concert met ook muziek van Mozart en Haydn.

Chailly's uitvoeringen van de twee Beethovenstukken kenmerkten zich wel degelijk door een soort `authenticiteit'. Elke laat-19de- of vroeg-20ste-eeuwse romantisering in klank en tempi ontbrak in deze rubatoloze klassieke vertolkingen. De zeer exacte en glasheldere uitvoeringen brachten niet alleen tal van verrassende ritmische details aan het licht, maar ook de gecompliceerde, soms drielagige dialectiek tussen strijkers- en blazersgroepen. Het zeer aansprekende resultaat was een toonbeeld van welsprekende retoriek, dramatisch en vitaal, fris en springlevend.

Na de pauze klonk Strawinsky, een componist met even persoonlijke taal en net zo'n samenhangend oeuvre als Beethoven. Tijdens de balletmuziek Agon en de suite uit De vuurvogel kon ik niet anders denken dat Strawinsky's precieze, vriesdroge en geserreerde stijl ook van invloed was geweest op Chailly's Beethovenvertolking. Dat past in Chailly's aandrang om in oudere muziek het moderne te ontdekken, zoals hij dat ook doet in Bruckner en Mahler.

In Agon – zestien razend lastige deeltjes die op deconstructivistische wijze een flink deel van de muziekgeschiedenis doornemen tot met Strawinsky's eigen l'Histoire du soldat – werd de spanning voorbeeldig vastgehouden. Dat was ook het geval met de intens klinkende langzame delen uit de suite De vuurvogel, gevolgd door enerverend spektakel. Chailly was in zijn element in deze prachtuitvoeringen. Het Concertgebouworkest stak in grote vorm in een ook als geheel geweldig concert, dat met enorm enthousiasme werd begroet.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Gehoord: 16/8 Concertgebouw Amsterdam.