Amerika moet durven ingrijpen in Midden-Oosten

Van verschillende kanten wordt de regering-Bush benaderd met het dringende verzoek in actie te komen teneinde het Israëlisch/Palestijns conflict van zijn scherpste kanten te ontdoen. Ten onrechte huldigt Bush de opvatting dat pas gepraat kan worden als het geweld ophoudt, meent Richard Cohen

Het standpunt van de regering-Bush inzake het Midden-Oosten is volkomen duidelijk: voordat ze helpt bij de hervatting van het vredesproces, moet er eerst vrede zijn. Dit zou een tautologie kunnen worden genoemd, of beter nog: de onverschrokken toepassing van de Coolidge-doctrine. Van Silent Cal, onze 30ste president, is de uitspraak: ,,Als een groot aantal mensen geen werk kan vinden, komt er werkloosheid.'' Hij is nooit door iemand tegengesproken.

Ook de opmerkingen van Bush zullen de tand des tijds wel doorstaan. Deze week heeft hij bijvoorbeeld nog gezegd dat hij ongerust was over ,,de geweldscyclus die maar blijft escaleren'', want – de logica is waterdicht – dat is ,,niet goed voor dat deel van de wereld''. Maak eens plaats, Cal.

Maar als we even afzien van deze uitspraken, moeten we erkennen dat er aanvankelijk wel iets te zeggen was voor de wens van Bush om zich van het Midden-Oosten los te maken. Bill Clinton had er uit een nauwe, persoonlijke betrokkenheid ook zelf veel tijd in gestoken om de toenmalige Israëlische premier Ehud Barak en de eeuwige Palestijnse leider Yasser Arafat tot een akkoord te brengen. Dat lukte niet vooral, maar niet alleen, omdat Arafats idee van vrede lijkt te zijn dat Israël ergens bij Alaska komt te liggen.

Maar sinds het aantreden van Bush is de toestand verslechterd. De Palestijnen schijnen een diep reservoir te hebben aangeboord van jongemannen die bereid zijn om zichzelf en iedereen om hen heen, natuurlijk op te blazen. De laatste tien maanden hebben 24 van dat soort bomaanslagen plaatsgevonden. Die hebben 51 Israëliërs het leven gekost.

Inmiddels is provocatie en vergelding – en dan weer vergelding voor die vergelding – het vaste patroon. Beide partijen lijden eronder. Ook lijden de Amerikaanse betrekkingen met verscheidene Arabische landen eronder. Bijna dagelijks bepleiten Arabische leiders dat de Verenigde Staten zich weer met het gebied gaan bemoeien en als een boksscheidsrechter tussenbeide komen om deze dodelijke clinch te verbreken. Ze wijzen erop dat alleen de Verenigde Staten, als de enige supermacht op de wereld, kunnen zorgen dat de twee partijen tenminste gaan zitten en luisteren.

Maar de regering-Bush wil er per se aan vasthouden dat alles wat Clinton deed slecht was. Als Clinton zich al ergens in mengde, Bush doet dat niet. Zo stuurt de president steeds weer mensen uit het lagere echelon van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar het gebied – brave, ervaren medewerkers, die alleen geen sterrenstatus hebben. Nodig is een hoge onderhandelaar met een presidentieel mandaat – en die weigert de regering nu juist te leveren.

Deze aanpak lijkt de Palestijnen het hardst te treffen. Arafat niet Israëls Ariel Sharon moet nog met een uitnodiging van het Witte Huis worden vereerd. Die uitnodiging zal pas komen als Arafat het geweld afzweert en de zelfmoordaanslagen beteugelt. Maar Arafat bond wel degelijk iets in na de bomaanslag in juni op een nachtclub in Tel Aviv waarbij 21 mensen omkwamen, toen hij onder meer op aandringen van de Europeanen afstand van zulke tactieken nam. Op dat moment had de regering-Bush in actie moeten komen. Maar dat gebeurde niet.

Nu is de toestand nog verder verslechterd. Irak en Syrië, lang bittere vijanden, begraven de strijdbijl omdat ze merken dat ze Israël erger haten dan elkaar. Hezbollah, dat tot voor kort alleen in Libanon actief was, zou inmiddels wel eens betrokken kunnen zijn bij de opleiding van Palestijnse strijders. Hun leider, Hassan Nasrallah, heeft op de televisie de Palestijnen opgeroepen ,,een mes te pakken en een kolonist overhoop te steken''.

Zelfs gematigde Arabieren verliezen hun geduld. De Egyptenaren roepen de regering-Bush al een hele tijd op om zich meer met het gebied te bemoeien en de Saoedi's hebben blijk gegeven van hun onbehagen, ook al zullen die niet zo gauw iets radicaals doen. In mei wees kroonprins Abdoella een uitnodiging van de hand om naar Washington te komen. Pas als de regering-Bush de Israëliërs in toom houdt, zeiden de Saoedi's. Abdoella was notabene in Canada.

In zekere zin praat de regering-Bush het standpunt van Sharon na: pas als het geweld ophoudt valt er te praten. Maar dat verschaft een veto aan elke fanaticus met een AK-47 of de wens om aan flarden in de hemel te komen. En erger nog – hoewel volkomen begrijpelijk: Sharon heeft zijn toevlucht genomen tot de tactiek die mislukte bij de Fransen in Algerije en de Amerikanen in Vietnam: moordaanslagen en nu en dan de aanwending van massaal geweld.

Iemand moet de leiding nemen. Dat moeten de Verenigde Staten zijn. Maar het ziet er op het ogenblik naar uit dat de VS niet zozeer een beleid hebben als wel angstig zijn bang zijn voor mislukking. Iedereen mag zeggen wat hij wil over Clinton, maar hij was banger voor een fiasco in het Midden-Oosten dan om als gesprekspartner te falen. Hij zette zijn prestige op het spel. Deze regering daarentegen steekt nog geen teen in het water.

Richard Cohen is columnist.

©Washington Post Writers Group