De hondenuitlater

,,De vrouwen houden meer van dit werk.'' Hij wijst naar het schoothondje aan zijn riem. Ze heet Parrito en is van een klant uit de Avenida Mirabella. Elke morgen Iaat Pablo hem uit. Als die wat heeft gedaan, brengt hij hem weer terug. Hij doet Parrito drie keer per dag: om zeven uur 's ochtends, om een uur 's middags en om acht uur 's avonds. Zij is een van de twintig honden die hij dagelijks uitlaat. Zijn ochtenduitlaat is van zes tot negen, de middaguitlaat van twaalf tot drie en de avonduitlaat van zeven tot tien. AI zijn klanten zitten in Recoleta. Dat moet ook wel. Als hij ook nog naar een andere wijk zou moeten, zou hij geen twintig honden in drie uur kunnen doen. ,,En de klanten wachten niet, afspraak is afspraak, een keer te Iaat en je bent de hond kwijt. Uitlaters zat.''

Parrito heeft wat gedaan en hij moet terug. Haar eigenaresse staat al te wachten. Pablo krijgt zijn uitlaatgeld, ongeveer twee kwartjes, en spoedt zich naar de volgende klant. In de deuropening van nummer 39 doemt een man met een Deense dog op. Het is Hector en hij is zijn zesde ochtendhond.

Zijn grootste angst is dat een hond tijdens de uitlaat iets overkomt. In de drie jaar dat hij dit werk doet, is er gelukkig niets gebeurd. Een keer heeft hij per ongeluk een pekinees laten schieten. Maar er was geen verkeer, het liep goed af. ,,Afkloppen.'' Hij lacht en slaat met zijn riem tegen de muur.

Een tijdje terug is hij voor het eerst door een hond gebeten. Hij stroopt zijn mouw op en Iaat een slordig dichtgenaaid litteken zien. Dat was een pitbull. Sindsdien doet hij geen pitbulls meer.

Een paar keer heeft hij toestanden gehad over honden die na de uitlaat toch nog in huis hun behoefte deden. Twee klanten pikten dat niet en gooiden hem eruit. ,,Heeft die vanmorgen wel iets gedaan'', had er een geschreeuwd, ,,of zit je de boel te belazeren.'' Hij probeerde zich nog te verdedigen, maar de deur werd voor zijn neus dichtgeslagen. Die honden zijn bij een andere uitlater terechtgekomen. ,,Een meisje, Evita, soms komen we elkaar in het park tegen.''

Een maand geleden is een hond die hij goed kende doodgegaan. Dat deed pijn. Hij liet hem al twee jaar uit. Hij heette Panchito. ,,Een lieve, oude hond, net zo iets als mijn opa.'' Even is hij stil en heeft hij Panchito weer aan de riem.

Hij zit nu tien jaar in het vak. Sinds zijn zesde. Naar school is hij nooit gegaan. Dat kan niet met al die honden en zulke onregelmatige werktijden. Gemiddeld doet hij 150 gulden per week. Dat is niet slecht. Maar daar moet hij wel zeven dagen per week voor werken. Het hele jaar door. Vakanties zijn er niet bij. Hondenuitlaat kent geen rustdagen. Al het geld gaat, op 120 gulden zakgeld per maand na, naar zijn moeder. Als hij ziek is, neemt zijn jongste zus van acht het over. Die wil ook in het vak en bouwt een `uitlaat' op in de Avenida San Pedro, iets verderop. Ze heeft er nu zes en wil naar 20 toe. Net als haar broer.

,,Kijk, daar komt ze aanlopen.'' Hij wijst naar een meisje aan de overkant met een bouvier. ,,Heeft die al wat gedaan?'' Ze knikt. Ze is op de terugweg. Het is haar laatste. Daarna gaat ze naar huis. Pablo komt over twee uur. Hij moet er nog veertien doen.