Chantage aan het loonfront

Over ruim een maand presenteert het tweede paarse kabinet zijn laatste begroting. Het afgelopen voorjaar zijn al afspraken gemaakt over de extra overheidsuitgaven in 2002. De komende weken beslist de ministerraad over de inkomstenkant van de begroting. Jongstleden zaterdag werd bekend dat de sociale premies volgend jaar waarschijnlijk omlaag gaan, op voorwaarde dat de lonen zich `gematigd' ontwikkelen. Deze poging tot chantage aan het loonfront is tot mislukken gedoemd. De sociale partners zullen zich niet laten chanteren, omdat ze haarscherp beseffen dat het kabinet klem zit.

Eind volgend jaar beschikken de sociale fondsen samen over een vermogensoverschot van 11,4 miljard euro. Blijven de op dit moment geldende premietarieven van kracht, dan pakken de ontvangsten van de sociale fondsen in de loop van de nieuwe kabinetsperiode nog eens 13,6 miljard euro hoger uit dan nodig is om de tot 2007 voorziene uitkeringslasten te dekken. Beleidsmakers in Den Haag breken zich al maandenlang het hoofd over mogelijkheden om de fondsen af te slanken. Het is immers raar om geld van de premiebetalers op te potten wanneer dat niet nodig is om uitkeringen van te betalen. Worden de tegen het eind van volgend jaar aanwezige overreserves geleidelijk weggewerkt, dan kan de premielast in de periode 2003-2006 elk jaar opnieuw met ruim zes miljard euro (13,5 miljard gulden) omlaag. De bij het begin van de kabinetsperiode aanwezige overreserves plus de overschotten van de komende jaren belopen immers in totaal 25 miljard euro. Dat enorme bedrag kan in vier jaarlijkse tranches van zes miljard euro aan bedrijven en gezinnen worden teruggegeven, zonder dat de uitkeringen in gevaar komen.

Er is echter een probleem. Bij zijn vooruitberekeningen voor de eerstkomende kabinetsperiode heeft het Centraal Planbureau verondersteld dat de belasting- en premiedruk in de volgende kabinetsperiode niet verandert. Bij een constante lastendruk moet tegenover een premieverlaging met zes miljard euro dus een belastingverzwaring met een overeenkomstig bedrag staan. Vooralsnog is volstrekt onduidelijk welke belastingen in de volgende kabinetsperiode met viermaal zes miljard euro kunnen worden verhoogd. De omzetbelasting (BTW) komt niet direct in aanmerking. Het tarief (19 procent) ligt op het Europese gemiddelde en een BTW-verhoging leidt tot extra inflatie, zoals de ervaring van dit jaar leert. De commissie-Van Rooy heeft in juni geadviseerd de winstbelasting van vennootschappen te verlagen van 35 tot 30 procent. Verhoging ligt niet erg in de rede. De tarieven van de loon- en inkomstenbelasting zijn net verlaagd. Het zou van wispelturigheid getuigen wanneer die nu weer omhoog gaan. De tarieven van alle andere belastingen (accijnzen, motorrijtuigenbelasting, successierecht enzovoort) – die samen ongeveer 50 miljard gulden opbrengen – zouden moeten verdubbelen om als contragewicht van de mogelijke premieverlaging te dienen. Dat is politiek en maatschappelijk volstrekt onhaalbaar. Het probleem is zo groot dat het wordt doorgeschoven naar het dossier van de kabinetsformateur.

Voor 2002 zit er slechts een bescheiden premieverlaging in het vat om te zorgen dat de vermogensoverschotten van de fondsen niet nóg groter worden. Maar zelfs zo'n bescheiden operatie ligt politiek gevoelig. De overschotten zijn geconcentreerd bij het WAO-fonds en het Algemeen Werkloosheidsfonds. De WAO-premie komt volledig voor rekening van de werkgevers. Gaat deze premie omlaag, dan profiteren uitsluitend bedrijven, vooral de arbeidsintensieve ondernemingen. De vakbonden zullen daar heftig tegen protesteren. Zij negeren het feit dat de werkgevers aan lastenverlichting toe zijn. Het eerste paarse kabinet verlaagde de lasten voor zowel gezinnen als bedrijven met zeven á acht miljard gulden. Het tweede paarse kabinet gaf de gezinnen tot nu toe al negen miljard belastingverlaging, terwijl het bedrijfsleven zijn lasten na 1998 juist met een miljard gulden zag stijgen. Er bestaat dus zeker aanleiding iets voor de ondernemingen te doen. Verlaging van de lasten op arbeid ondersteunt bovendien de werkgelegenheid nu het ons land economisch minder voor de wind gaat.

Het grootste politieke probleem doet zich voor bij een verlaging van de premie voor de Werkloosheidswet. Die komt voor drievijfde voor rekening van de werknemers, en voor tweevijfde van de werkgever. WW-premie is alleen verschuldigd wanneer de werknemer meer verdient dan 32.000 gulden, en over ten hoogste 91.000 gulden salaris. Minimumloners merken niets van een premieverlaging, omdat zij door de premievrije voet van 32.000 gulden geen premie betalen. Werknemers met een salaris tussen de zestig en de negentig mille zien hun koopkracht na premieverlaging al snel met een procent of meer toenemen. Dit denivellerende effect gooit de beoogde koopkrachtontwikkeling in het verkiezingsjaar in duigen. Het kabinet zal het effect van de premieverlaging willen compenseren met kunstgrepen in het belastingtarief, bijvoorbeeld door het percentage van de derde tariefschijf te verhogen van 42 naar 43. Een schrale troost voor eigen-woningbezitters is daarbij dat de hypotheekrenteaftrek na een verhoging van het marginale tariefpercentage iets meer waard wordt.

Ondanks chantagepogingen van minister van Sociale Zaken Vermeend kunnen de sociale partners rustig achterover leunen. Naarmate de premiepotten vollopen neemt de druk op het kabinet toe. Ongetwijfeld lachen de premiebetalers het laatst.