Kunstrisico's

Kunstvernieling is een probleem in Nederland, al is het thema in de museumwereld taboe. Elk woord wat er over wordt gezegd trekt maar ongeluk aan. Staatssecretaris Van der Ploeg (OCW) heeft echter een onderzoek laten verrichten dat niet valt te negeren. In een jaar tijd bedroeg de oogst 161 beschadigde voorwerpen. In bijna 70 procent van de gevallen was daarbij sprake van opzet. Hoe moet dit probleem worden aangepakt? De musea zelf denken blijkens de enquête vooral aan beveiliging, cameratoezicht en meer suppoosten op zaal. Een enkeling eist zwaardere straffen voor kunstvandalen, al roept dit voorstel meer vragen op dan het oplost. Er ligt een duidelijke taak voor Van der Ploeg een goede discussie op gang te brengen. Deze staat of valt natuurlijk met de analyse van het fenomeen kunstvernieling.

Dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan. Er zijn duidelijke politieke uitschieters (het politiek protest van de suffragettes uit het begin van de vorige eeuw) en in een aantal gevallen is sprake van een psychische stoornis bij de dader. Maar een dekkende verklaring leveren dergelijke motieven bij lange na niet.

Opmerkelijk is de verklaring die de Zwitserse kunsthistoricus Dario Gamboni, thans verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, naar voren heeft gebracht. In het voetspoor van de Franse kunstsocioloog Pierre Bourdieu duidt hij kunstvernieling als een vorm van `sociale woede', een protest van mensen die zich buitengesloten voelen uit het culturele `gezelschapsspel' van de elite. Kunstvernieling als een participatieprobleem dus. Gamboni's theorieën komen voort uit onderzoek dat hij twintig jaar geleden deed in het Zwitserse plaatsje Bienne waar een ware epidemie van kunstvernieling plaatshad tijdens een grote openluchtexpositie van eigentijdse kunst. De kunsthistoricus concludeerde dat ,,kunst nooit zomaar wordt aangevallen''. Een museale aanpak die het zoekt in beveiliging, cureert volgens hem alleen aan de symptomen. Werkelijk helpen doet alleen het brengen van Verlichting.

De museumwereld staat volgens Gamboni niet alleen voor de opgave de brede massa te helpen, maar ook om een ,,meer democratische manier'' te vinden om dat te doen. Hij pleit voor een benadering die de opvattingen van de kijker respecteert en zelfs zijn onbegrip en het gevoel buitengesloten te zijn niet verergert.

Er is een alternatieve hypothese denkbaar waarin de democratisering van het museumwezen juist een bron van risico's vormt. Uitgangspunt is hier dat het veeleer verrassend is dat kunstvernieling zo weinig voorkomt, gezien wat de criminologen aanduiden als de gelegenheidsstructuur: de makkelijke toegang en open expositie van werken in het doorsnee museum. Dat moet te maken hebben met een subtiel proces van sociale conditionering van het museumpubliek.

Dienen openbare collecties niet juist in te spelen op dergelijke sociale selectieprocessen in plaats van tegemoet te komen aan de ignoranti? Dat is een mooie vraag voor een bewindspersoon die de museumkunst juist op alle mogelijke manieren onder de massa wil brengen.