`Gevangene onzeker terug in samenleving'

Gevangenen hebbben te weinig rechtszekerheid, doordat het grote aantal verschillende detentieregimes ondoorgrondelijk is. Daardoor is ook een verantwoorde terugkeer in de maatschappij van gevangenen in het geding.

Dit concluderen onderzoekers van het Willem Pompe Instituut in Utrecht en de vakgroep strafrecht van de Universiteit Maastricht in de bundel De Penitentiare Beginselenwet in werking. Onderzocht is hoe de genoemde wet, die sinds 1999 van kracht is, functioneert. De wet beoogde meer lijn en continuïteit te brengen in de verschillende manieren waarop gevangenisstraffen kunnen worden uitgevoerd, variërend van een detentie in een extra beveiligde inrichting tot resocialisatieprogramma's. De onderzoekers stellen evenwel dat een overzicht over alle mogelijkheden nog steeds ontbreekt.

De ruim 70 zogenoemde detentieprogramma's zijn grofweg in twee soorten te verdelen: de `peniteniare programma's' en de `maatschappelijke integratie projecten'. Gevangenen in penitentiare programma's kunnen de laatste fase van hun straf onder verantwoordelijkheid van de reclassering buiten de gevangenis uitzitten, bijvoorbeeld door middel van electronisch toezicht.

Ook maatschappelijke integratie projecten moeten gedetineerden voorbereiden op hun terugkeer in de maatschappij, maar dit gebeurde oorspronkelijk binnen de gevangenismuren, onder verantwoordelijkheid van het gevangenisbestuur. ,,Maar het komt ook voor dat een gevangenis werk buiten de eigen muren organiseert, en dat dat onder toezicht van anderen is'' zegt strafrechtdeskundige M. Boone van het Willem Pompe Instituut, die de redactie voerde over de onderzoeksbundel. ,,Dan kan bijvoorbeeld de reclassering verantwoordelijk zijn, of een werkgever die arbeidsplaatsen aanbiedt.''

Volgens Boone zijn de verschillen tussen de programma's zodoende nog steeds onduidelijk. ,,En daardoor worden de mogelijkheden onvoldoende benut. Áls ze benut worden, maken alleen de meest mondige gedetineerden er gebruik van. De meeste gedetineerden, die het misschien harder nodig hebben, weten niet waar ze aan toe zijn.''

Gevolg is, zegt Boone, dat gedetineerden ,,zomaar in de samenleving worden gezet'' zonder daarop de laatste maanden van hun detentie in resocialisatieprogramma's te zijn voorbereid. ,,En daar is de samenleving niet bij gebaat.''

Volgens Boone komt dat ook doordat het openbaar ministerie ,,eenzijdig vanuit beveiliging'' redeneert, wanneer moet worden vastgesteld of een gevangene voor een ander regime in aanmerking komt. ,,Dat zet een rem op het gaandeweg toekennen van meer vrijheden, en dát zet weer een rem op de veilige terugkeer van gevangenen in de samenleving.''

Ofschoon zij dat niet specifiek heeft onderzocht, zegt Boone, heeft zij door gesprekken in gevangenissen sterk de indruk dat dit alles ook van invloed is op het cellentekort.

Boone: ,,Er wordt daar veel gebruik gemaakt van de zogeheten `103 procents-regeling', die het mogelijk maakt de capaciteit van een gevangenis meer dan te benutten. Bijvoorbeeld door gedetineerdeen de eerste dagen in een afzonderingscel te plaatsen. Terwijl de, ook goedkopere, plaatsen in penitentiaire programma's niet voldoende worden benut.''