Familieroman

Het nationale recensentendom heeft tot dusver weinig goede woorden overgehad voor het literaire werk van de journalist/schrijver Theodor Holman. ,,De miskende auteur voor wie ik nu pleit'', noemt zijn uitgever Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar hem dan ook in de begeleidende brief waarmee hij het nieuwste boek van Holman, Het blijft toch familie, rondstuurt.

Nu zou ik niet graag alle miskende auteurs van Nederlandse uitgevers de kost geven, ook Holman niet, maar hij is wél een bijzonder geval. Als journalist heeft hij al zoveel toegang tot de media dat men daar denkt dat hij zich als literair auteur wel zelf zal redden. Bovendien hangt hij vooral als presentator bij de Amsterdamse televisie zó graag de onbekommerde lachebek uit, dat niemand zich meer kan voorstellen dat achter dat masker een intrigerende somberman schuilgaat.

Op die manier belandde de schrijver Holman in de schaduw van het imago dat hij zelf als tv-personality heeft geschapen. Alleen de vaste lezers van zijn columns in Het Parool weten beter plus de lezers van die boeken, maar dat waren er de afgelopen jaren niet veel.

Zelf had ik alleen Hoe ik mijn moeder vermoordde uit 1999 gelezen, een sterk boek over de relatie met zijn moeder. Ik had me voorgenomen ook zijn eerdere boeken te lezen, maar het kwam er niet van. Nu heeft zijn uitgever drie vroegere boeken naast Hoe ik mijn moeder vermoordde de romans Apenliefde (1991) en Familiefeest (1992) in een verzamelbundel opgenomen en daaraan een aantal recente columns toegevoegd.

Die bundeling werkt wonderlijk goed, omdat romans en columns elkaar in deze ordening versterken. Het is één grote, indringende roman over de familie Holman geworden, want Holman is een puur autobiografische schrijver ik geloof dat er geen schrijver in Nederland is die zo openhartig, op het gênante af, over zijn familie en zichzelf durft te schrijven.

Vooral Familiefeest was voor mij een openbaring. Het is een even aangrijpend als hilarisch verslag van de rouwdagen rond het overlijden van vader Holman. De (kleine) familie zit treurend bijeen, en de overledene wordt niet alleen beweend, maar ook gepeild in heel zijn ondoorgrondelijkheid. Holman is een meester in de dialoog en daarom groeien vooral zijn gesprekken met zijn oudere broer tot hoogtepunten uit. Die broer heeft een sardonisch, Reviaans gevoel voor humor, waardoor de roman telkens net op tijd boven het sentiment wordt uitgetild.

Eén voorbeeld. Holman heeft zijn gestorven vader zijn bril opgezet. ,,Opeens merkte mijn moeder op dat papa zijn bril weer op had. `Hebben jullie dat gedaan?', vroeg ze. `Nee, hijzelf', zei mijn broer, `hij werd wakker en vroeg: Waar is mijn bril?' Die gaven we hem en toen ging hij weer dood. `Hè, waarom altijd zo hard, zo kwetsend?', vroeg mijn moeder.''

De broers grappen en grollen wat af, maar hun houding blijkt vooral voort te spruiten uit dé grote familiekwaal van de Holmans: het onvermogen om over gevoelens te spreken. De dood van hun vader dwingt hen ertoe. Tot heil van de Nederlandse literatuur daar komen die recensenten nog wel eens achter.