De studentenhuizen vergrijzen

Kamernood onder studenten – nijpend probleem aan het eind van de zomer – wordt deels door studenten zelf veroorzaakt. Die blijven er te lang wonen, ook al zijn ze afgestudeerd.

,,Ik zit hier eigenlijk prima'', zegt Ingmar Snijders. ,,Ik ben ook nog nooit echt op zoek geweest naar iets anders.'' Dertig jaar is hij, en al drie jaar afgestudeerd, maar hij woont nog steeds in het Utrechtse studentenhuis waar hij zeven jaar geleden introk. Omdat zijn vriendin vaak bij hem is, heeft hij er na het vertrek van een huisgenoot nog een kamer bijgenomen. Als advocaat in opleiding verdient hij genoeg om dat te betalen. Ook Ingmars drie huisgenoten zijn inmiddels afgestudeerd, maar niemand van hen staat op het punt om te vertrekken. Waarom zouden ze ook? In het studentenhuis delen ze hooguit een wc en lopen ze door elkaars keuken.

,,Er zijn hier ook mensen die werken voor jullie studie!'' Ingmars huisgenote Elise van Nederveen (26) moet wel eens midden in de nacht lallende corpsmeisjes van een nabijgelegen studentenhuis vermanen. Toch vindt de historisch onderzoekster, drie jaar geleden afgestudeerd, het wel zo makkelijk om te blijven wonen waar ze woont, in een studentenbuurt in de binnenstad. Kopen in deze buurt is voor haar nu nog niet haalbaar en een starterswoning huren in buitenwijken als Lunetten of Overvecht wil ze niet.

,,De kamerbewonende student vergrijst'', zegt Rob Koster van de internetsite Kamernet.nl, waar studenten gratis kamers kunnen zoeken. Verhuurders, politiek en studentenvakbonden, allemaal noemen ze de uitblijvende doorstroming als grootste probleem van de stijgende kamernood. Gemeenten en landelijke politiek bouwen niet hard genoeg aan goedkope en duurdere zelfstandige woningen en alleenstaande studenten wachten tot ze woonruimte in de binnenstad hebben gevonden en houden zo lang studentenkamers bezet. Professor P. Hooimeijer die de spanning op de kamermarkt in opdracht van staatssecretaris Remkes (Volkshuisvesting) onderzocht, ziet dat vooral alleenstaanden het belangrijk vinden om in het centrum van een stad te wonen. Mensen die willen samenwonen zijn volgens Hooimeijer eerder bereid naar de buitenwijken en zogeheten Vinex-locaties te verhuizen.

Dat geldt bijvoorbeeld voor Dries van Oosten (25). Hij is pas na zijn afstuderen in het Utrechtse `studentenhuis' komen wonen, maar liever zou hij met zijn vriendin Marianne Blaauboer (25), die daar al sinds 1995 woont, een appartement betrekken. Een Vinex-locatie is voor de natuurkundepromovendus geen optie – ,,te duur voor wat ze bieden'' – maar buitenwijken of buurgemeenten vindt hij geen probleem. Hij en Marianne staan nu ongeveer een jaar samen ingeschreven, maar dat blijkt lang niet voldoende te zijn voor zicht op een huis. Echt haast hebben ze ook weer niet. In het huis hebben ze twee kamers, twee keukens en twee douches, waarvan Dries één heeft ingericht als hangkast.

Extra bouwen is volgens het ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) niet verstandig, al erkent het ministerie het probleem van gebrek aan doorstroommogelijkheden. VROM zegt niet extra te willen bouwen uit angst over tien jaar dan weer met een overschot te zullen zitten. Staatssecretaris Remkes stelt in een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het onderzoek van Hooimeijer dat de problemen per gemeente zeer verschillend zijn en daarom lokaal moeten worden opgelost.

Hooimeijer noemt deze conclusie te makkelijk. De landelijke politiek heeft volgens hem wel degelijk een verantwoordelijkheid. Er zijn de afgelopen drie jaar ruim 50.000 woningen minder gebouwd dan gepland. Jaarlijks zouden zo'n 100.000 woningen gebouwd moeten worden, maar sinds 1998 zijn er minder dan 250.000 bijgekomen. Zo is er volgens de professor in de planning bijvoorbeeld wel rekening gehouden met een stijging van het aantal alleenstaanden, en daarmee van de eenpersoonshuishoudens, maar blijft de praktijk hierbij ver achter.

De studentenvakbonden constateren ook een vergrijzing van de kamerbewoner, maar pleiten niet alleen voor doorstroomverbeteringen. Het aanbod van studentenkamers moet ook worden uitgebreid, aldus voorzitter Sofie Joosse van de Landelijke Studenten Vakbond. Zeker nu strengere regelgeving potentiële kamerverhuurders ontmoedigt en het aantal studenten weer stijgt.

Sinds begin jaren negentig is met name het aantal hbo-studenten fors gestegen, volgens het ministerie van Onderwijs met ruim een kwart. De Informatie Beheer Groep registreerde in 1999 ruim 168.000 ingeschrijvingen bij een universiteit en ruim 307.000 aan een HBO-instelling. In 2000 was dat respectievelijk ruim 171.000 en ruim 317.000. Juist door de groei van het aantal HBO-studenten krijgen ook HBO-steden als Haarlem, Den Haag en Eindhoven te maken met een fors kamertekort. Nu al constateert Hooimeijer een urgent probleem rond de start van het studiejaar in deze steden en hij verwacht dat het de komende jaren alleen maar zal toenemen.

Sinds branden in studentenhuizen in Utrecht, en zeker sinds Enschede en Volendam voeren gemeenten een strenger brandveiligheidsbeleid.

De koppelingswet gaat per 2002 ook in voor studenten. Vanaf dan worden de gegevens die de Informatie Beheer Groep van die lichting studenten beheert, gekoppeld aan de Gemeentelijke Basis Administratie. Het gevolg is dat inschrijving bij de gemeente een voorwaarde wordt om een beurs voor uitwonenden te krijgen. Sinds de wet in 1998 in werking trad, worden al gegevens van verschillende gemeentelijke instanties aan elkaar gekoppeld. Mogelijk heeft dit al geleid tot een verminderd kameraanbod bij hospita's, aldus wordt verondersteld in het rapport van Hooimeijer.

Elise en Ingmar zitten op het dakterras. In de avondzon en tussen een zee van bloemen weten ze niet wat ze zich nog meer kunnen wensen. Op zoek naar zelfstandige woonruimte? Ze kijken elkaar aan. ,,Hmm, nee.''