De Columbus van de Hollandse Rijnstreek

Tussen Hamburg en Bremen ligt een Hollands ingericht landschap met sloten, molens, boomgaarden en huizen met puntdaken. Het is te danken aan Priester Hendrik, die er 900 jaar geleden neerstreek en het gebied ontgon. Op 9 september wordt in Rijnsaterwoude een standbeeld van hem onthuld

Hij heette Priester Hendrik en hij wordt wel de `Columbus van de Hollandse Rijnstreek' genoemd. Maar schiet daar een willekeurige voorbijganger aan en hij zal glazig kijken bij het horen van die namen. Hoe anders is het in Steinkirchen, een dorp bij Bremen, dat net als de hele omgeving daar rechtstreeks uit het groene hart van Nederland lijkt geplukt. Daar staat hij bekend als `uns'r Mönnich' en prijkt zijn bronzen standbeeld voor de oude dorpskerk: een wijdbeens zittende middeleeuwer met een energieke kop, in monnikspij en met sandalen, de blik peinzend op de grond gericht. Ook in Nederland gloort nu erkenning voor Priester Hendrik, een vergeten pionier die bijna negen eeuwen geleden als een projectontwikkelaar avant la lettre met een groep Hollandse kolonisten naar het gebied tussen Bremen en Hamburg – het `Alte Land' – toog om er een nieuw land te stichten. Op 9 september wordt in Rijnsaterwoude een kopie onthuld van het beeld uit Steinkirchen, dat in 1993 werd gemaakt door Carsten Eggers. De speciaal voor dit doel in het leven geroepen Stichting Priester Hendrik heeft ruim een ton voor het gedenkteken bijeen weten te zamelen.

Oprichter van de stichting is de rechtshistoricus prof.dr. H. van der Linden (79) die al bij de voorbereiding van zijn proefschrift uit 1955 over de ontginningsgeschiedenis van Utrecht en Holland stuitte op de priester. Diens naam komt voor in een Duits contract in het Latijn, afgesloten in 1113 door de aartsbisschop van Bremen en Hamburg met de Hollandse immigranten Helekinus, Arnoldus, Hiko, Fordolt, Referic en hun leider: Heinricus sacerdos. ,,Het contract komt al vanaf de 18de eeuw in oorkondenboeken voor, maar niemand had er iets mee gedaan', zegt Van der Linden, die als eerste verband legde tussen deze kolonisten en de ontginning van het Alte Land dat bekend staat om zijn vele `Holländer Dörfer'.

De expeditie van de priester moet worden gezien tegen de achtergrond van de Grote Ontginning, die in de tiende eeuw begon en duurde tot ongeveer 1300. Ploegend, struiken platbrandend en sloten trekkend waren de bewoners de veenwildernissen te lijf gegaan, die toen nog een meter of drie boven zeeniveau lagen. Loodrecht op de lager gelegen rivieren en stroompjes groeven ze op gelijke afstand van elkaar sloten het veen in, waardoor het water werd afgevoerd. Lange stroken land maakten ze zo geschikt voor veeteelt en de verbouw van koren en vlas. Het hele westen van Nederland werd op deze manier tot ver in Utrecht onder handen genomen.

In het begin konden de ontginners vrijelijk hun gang gaan, later kwamen er regels en moesten de ontginners een soort belasting betalen in de vorm van een denier, een destijds gangbare, zilveren munt. Ook moest een tiende van de oogst en van de geboren dieren aan de bestuurders worden afgestaan. Iedere nederzetting moest verder zorgen voor een stuk grond (een hoeve) waarvan de lokale geestelijke zichzelf en de kerk moest onderhouden. De ontginningscontracten noemde men `cope' – plaatsen als Boskoop en Nieuwkoop herinneren daar aan.

Van der Linden: ,,Iemand die wilde ontginnen werd door het aangaan van de cope een vrij man. Hieruit is al in de 11de eeuw de Hollandse vrijheidsgedachte en de erkenning van het overheidsgezag ontstaan die de basis vormen van ons staatsbestuur. Elders in Nederland heeft de horigheid veel langer geduurd.'

In het contract van 1113 is sprake van `lieden die aan deze zijde van de Rijn wonen en Hollandi worden genoemd'. Vanuit Bremen gezien betekende `deze zijde' ten noorden van de Rijn. Daar lagen in het Holland van Hendriks tijd drie nederzettingen met kerken: Esselijkerwoude (het latere Woubrugge), Leimuiden en Rijnsaterwoude. Van der Linden: ,,Hendrik was waarschijnlijk als kapelaan verbonden aan een of meer van die kerken. Ze vielen onder de parochiekerk van Oegstgeest. Het ligt voor de hand dat hij daar zijn opleiding kreeg, maar uit de overeenkomst met aartsbisschop Frederik blijkt dat hij een bredere ontwikkeling en een grotere kennis van het Latijn moet hebben gehad dan een doorsnee kapelaan.' De meest waarschijnlijke plaats waar hij die kennis had kunnen opdoen was in de Benedictijner abdij van Egmond, toen het enige klooster in Holland en het culturele en intellectuele centrum van het graafschap.

Het gebrek aan leefruimte voor jonge boeren moet volgens Van der Linden aanleiding zijn geweest voor Hendriks expeditie. De Duitse aartsbisschop, die over enorme veengronden beschikte, had die ruimte wel, zo blijkt ook uit het contract: `Voornoemde mannen [...] hebben ons nederig gevraagd aan hen land ter ontginning te geven, dat tot nu toe woest en moerassig is en nutteloos voor onze eigen bewoners.' Ook hier bedongen de Hollanders de vrijheid die ze gewend waren tegen een jaarlijkse betaling van een denier en de tienden van oogst en geboren dieren. Ze mochten daarvoor naar hartelust ontginnen en kregen zeggenschap over de te stichten gebieden. Om conflicten met aangrenzende bewoners te vermijden werd de omvang van de hoeven van tevoren vastgesteld op 720 bij 30 `koningsroeden'. De kerken die de Hollanders in de nieuwe dorpen zouden stichten kwamen onder gezag van Hendrik, die er de geestelijken mocht benoemen en bij elke kerk ook weer de beschikking zou krijgen over een lap grond. De namen van de twee vroegst ontgonnen gebieden, Hollerland en Hollern, herinneren nog aan de immigranten.

Van der Linden ontdekte opmerkelijke overeenkomsten tussen het Alte Land en het Hollandse hart. Niet alleen werden op dezelfde manier betalingen geregeld, bij bestudering van oude kaarten en onderzoek naar de maat van de koningsroeden, bleken de ontgonnen stroken in Duitsland precies overeen te komen met die in het gebied waar de kolonisten vandaan kwamen. Hij concludeert daaruit dat het Hendrik en zijn volgelingen waren die met ontginnen zijn begonnen en het landschap zijn Hollandse aanzien hebben gegeven.

,,Nederlandse historici hebben mijn bevindingen erkend,' zegt van der Linden, ,,maar Duitse wetenschappers gaan er nog steeds van uit dat de Hollanders niet kwamen om te ontginnen, maar om dijken en polders te bouwen. Dat is echter een veel latere ontwikkeling. Hendrik en zijn mannen hadden daar nog geen ervaring mee. Het veengebied lag boven zeeniveau. Pas na de ontginningen zakte het land door inklinking en oxidatie. Ook de grote stormvloeden die delen van het westen onder water zetten, waren nog niet geweest.'

De geleerden mogen het niet eens zijn, de inwoners van beide gebieden hebben elkaar al jaren geleden gevonden, toen er meer bekend werd over de rol van Hendrik. Het initiatief voor een standbeeld kwam van de inmiddels overleden evangelische dorpspredikant Wolf-Dietrich Lochte uit Steinkirchen en over en weer zijn bezoeken afgelegd. Ook in september woont een Duitse delegatie de onthulling van het standbeeld bij.

Hoe het Hendrik in het Alte Land is vergaan is niet bekend. Van der Linden: ,,Maar ik hoop dat hij een symbool wordt van de vrijheidsgedachte die bij de Grote Ontginning zo'n grote rol heeft gespeeld en die ertoe heeft geleid dat later verdrukten van elders – Portugese joden, Franse hugenoten, Vlaamse protestanten – hier een veilig onderkomen vonden.'

Gerectificeerd

Priester Hendrik

In het artikel De Columbus van de Hollandse Rijnstreek (in de krant van woensdag 15 augustus, pagina 9) staat dat op 9 september een standbeeld voor de middeleeuwse pionier `Priester Hendrik' in Rijnsaterwoude zal worden onthuld. De juiste datum van de onthulling is echter zaterdag 8 september.