Collectieve koppigheid 3

Philipse stelt vast dat een individu niet graag een bepaalde gevormde mening opgeeft, omdat dat als `cognitieve dissonantie' wordt ervaren. Om die dissonantie te vermijden houdt, aldus de schrijver, een individu halsstarrig vast aan de gevormde mening, of doen zelfs groepen mensen dat, en ontstaat zoiets als collectieve koppigheid. Het is die cognitieve dissonantie die mij in dit betoog niet overtuigt.

Het vormen van een mening en/of het loslaten daarvan gaat niet via een primair cognitief proces. Het proces is cultureel bepaald. Het is voor elk individu lastig om over iets een mening te bepalen. Daarvoor moet je alle feiten kennen, die bestuderen, en dan zoiets als een conclusie trekken. De meeste mensen hebben daar de tijd (en/of het vermogen) niet voor, en het is daarom handig om voorgevormde menigen over te nemen van mensen of organisaties die jouw `lifestyle' vertegenwoordigen. Het voordeel voor het individu is dan dat er zonder veel inspanning een mening wordt gevormd, en dat hij/zij het gevoel zal ontwikkelen ergens bij te horen, hoe irrationeel die meningen soms ook mogen zijn.

Een mening is als een kledingstuk. Je past het, het staat je, en je draagt het. Het `staan' is in dit geval het voordeel dat de mening biedt: culturele identiteit. Dit is de basis van alle meningsvorming, de straf heet dan culturele dissonantie en niet cognitieve dissonantie.