Antischaak

In Ulster heeft het woord crisis een andere betekenis dan elders in Europa. Een week nadat het Ierse republikeinse leger (IRA) een voorstel had gedaan om de eigen wapendepots ,,volledig en controleerbaar buiten gebruik te stellen'', heeft de IRA dit aanbod ingetrokken en is iedereen weer terug bij af. Als dat geen crisis is, wat is dan nog wel een crisis in dit deel van de wereld? Toch wil de minister voor Noord-Ierland, John Reid, het woord niet horen. Er is slechts sprake van een ,,terugslag in het vredesproces'' dat op Goede Vrijdag 1998 begon met een door premier Blair afgedwongen akkoord tussen de katholieke en protestantse leiders in Ulster.

Als reden voor de terugtrekkende beweging voert de IRA aan dat er onvoldoende randvoorwaarden zijn om het ontwapeningsvoorstel tot een goed einde te brengen. Ten eerste omdat David Trimble van de protestantse Unionisten de concessie niet concreet genoeg vond en dus wantrouwde. De IRA had wel gezegd dat het bereid was tot ontwapening, maar niet wanneer en hoe het daarmee een begin zou maken. Ten tweede omdat de Britse regering, in reactie op deze afwijzende houding, afgelopen weekeinde het Noord-Ierse zelfbestuur opschortte met het doel tijd te winnen voor nadere onderhandelingen. Voordien had Londen in de ogen van de IRA onvoldoende werk gemaakt van de toezegging de politie in Ulster te hervormen en de eigen troepen te verminderen.

Als het conflict een week oud zou zijn geweest, zou de positie van de IRA wellicht begrijpelijk zijn. De halve burgeroorlog in Noord-Ierland is echter al decennia aan de gang. Daarom laadt de IRA met deze tactische manoeuvres de verdenking op zich dat hij zich nog steeds niet con amore heeft verzoend met het vredesproces. Op zichzelf is het verklaarbaar dat de IRA een drastische hervorming van het politieapparaat wenst – of de katholieke minderheid in Ulster louter profijt zou hebben van de terugtrekking van de Britse troepen is minder duidelijk – maar een `vredesproces' is een reeks van momenten waarbij tegenstanders zich niet ingraven, maar de loopgraven juist stapje voor stapje verlaten. Dat geldt zowel voor loyalisten als republikeinen.

Ook de leiding van de IRA wekt sinds 1998 net iets te vaak de indruk eerst garanties te willen krijgen voordat ze zelf garanties geeft. Zonder risico's aan beide kanten is de status quo echter niet te veranderen. De schuldvraag, hoe belangrijk ook vanuit historisch oogpunt, dient daarom van hoofd- tot bijzaak te worden gereduceerd.

Het destructieve schaakspel, waaraan ook de IRA zich te buiten gaat, ondermijnt bovendien niet alleen de hoop van de gewone bevolking op een normaler leven. Het speelt ook de radicale vleugels aan zowel katholieke als protestantse zijde in de kaart. Na drie decennia is geweld daar in die kringen langzamerhand het dagelijks brood geworden.

Door op eerdere voorstellen terug te komen, heeft de IRA een verkeerd signaal afgegeven aan de sinds 1998 afgescheiden splinterformaties die willen doorgaan met de gewapende strijd. Omgekeerd weten de meest rabiate loyalisten zich gesterkt in hun eigen gelijk dat overleg zinloos is.

Meer dan ooit ligt de verantwoordelijkheid om dit tij ten goede te keren in Londen en Dublin. Met haar eufemistische reactie heeft de regering-Blair zich verplicht tot een nieuw initiatief.