Alles moet weg

Onze naderende verhuizing – terug naar Nederland – maakt een ongekende weggooidrift in mij los. Het is nog niet eens zover, maar al maandenlang bestaat er geen genade meer voor de kamerplant die nooit heeft willen tieren, de stoel die al twee jaar geleden gemat zou worden, de voor drie dollar in de thriftshop gekochte `plateelvaas' die al bij het eerste boeket poreus bleek en de stapel plastic sushi-plateautjes die in de keuken zo leuk typisch Japans liggen te wezen en iedereen in de weg liggen die bij het koffiezetapparaat moet zijn. Aan de straat ermee. In de vuilnisbak!

Ook spullen waarover ikzelf niet eens het beheer voer, moeten eraan geloven, want ìk maak wel uit wat mijn huisgenoten mogen meenemen en wat niet. Het door mijn zoon bij de vuilnisbakken gevonden schilderij van een stierengevecht – een paarse stier met wel twintig speren in zijn lijf en een toreador in gouden pak tegen een ondergaande zon - heb ik drie weken aan een spijker op zijn kamer gedoogd en vervolgens omgekeerd in een hoek gezet, waarop nooit commentaar is gekomen, dus dat kan nu opnieuw bij het vuil. Tot op heden is het niet gemist.

Met de eigendommen van mijn man ga ik omzichtiger te werk. In Nigeria heeft hij ooit een kleine, opgezette krokodil cadeau gekregen. Jarenlang heeft dat beest in diverse huizen sein Unwesen getrieben, verdekt opgesteld, maar toch. Nee, wegdoen mocht niet. Ik wacht tot mijn man op een zondag moe gesport thuiskomt en til, net voordat hij de douche in wil glippen, achteloos de krokodil aan zijn staart omhoog, zodat het zaagsel in een straaltje uit het allang bestaande (en voor de gelegenheid slechts een beetje groter gemaakte) gat in de buik loopt. ,,Die kan onderhand wel eens weg, he?'' ,,Mwah'', knikt hij afwezig. Ik stop de krokodil meteen in de vuilniston aan de straat, met zijn kop en voorpoten er bovenuit, want een beetje sneu is het wel en misschien vindt een ander hem nog lief. Tien minuten later is hij inderdaad al verdwenen.

Deze weggooimanie druist in feite tegen mijn karakter in; van nature ben ik juist nogal bewaarderig. Ik behoor tot de mensen die oude kalenders bewaren, omdat je die mooie foto's misschien nog eens een keer kunt gebruiken. Nooit dus. Bij het verhuissyndroom waarvan ik nu last heb, verliest de angst om dierbare dingen kwijt te raken het kennelijk van de vrees in een ongecontroleerde hoeveelheid daarvan om te komen.

Hoe het ook zij, op een ochtend sta ik met een stapeltje afgekeurde Nederlandse paperbacks in handen. Ooit gekocht, gekregen, niks aan gevonden, nooit gelezen. Moeten die straks aan de overkant van de oceaan ook nog in de uitpuilende boekenkasten gepropt worden? Weg ermee. Tevreden leg ik de boeken buiten in de papierkist bovenop de stapels New York Times en Newsweeks van de buren.

Maar pas op, na dit manhaftig vertoon van daadkracht breekt opeens mijn eigenste, niet-verhuizende zelf door. Ik buk me, pak het bovenste boek en blader erin. Het is een vergeelde, gevlekte Salamanderpocket met afgescheurde rug. Een bloemlezing. `Proza en Poëzie van 1950 tot heden' – dat heden is 1968 – die om onnaspeurlijke redenen ooit door iemand, door mij dus, mee naar New York genomen is. School der poëzie zie ik staan. `Ik ben geen lieflijke dichter/ ik ben de schielijke oplichter...' Ik gooi het boek terug in de papierkist en ga naar binnen, andere dingen doen.

Maar hoe zat het ook alweer? De dichters van fluweel zullen schuw en humanistisch doodgaan, ja, en verder? Als ik dat wil weten kijk ik binnenkort in Amsterdam wel in een betere uitgave van Lucebert. `Ik tracht op poëtische wijze/ dat wil zeggen eenvouds verlichte wateren...', komt dat nu in hetzelfde gedicht voor of in een ander? Enne, heb ik in Amsterdam wel alles van Lucebert staan?

Ik zit aan mijn bureau en tik een brief. O, wacht even: de hete ijzeren keel der muzikale beulen zal opengaan. Nee, der ontroerde beulen, dat was het nou juist: ontroerde beulen. Zal ik dat boekje even gaan terughalen? Niks ervan. Dat boekje blijft daar liggen. `Lyriek is de moeder der politiek', staat dat er ook in?

Na een uurtje hoor ik het sonore Spaans van de straatploeg voor het huis. De straatploeg houdt zich onder andere bezig met het verrichten van voorwerk voor de gemeentereiniging. Ze halen de vuilniszakken uit de tonnen, zetten die op de stoep, binden een touw om het aangeleverde oud papier, dat soort dingen. Ik loop naar buiten, zie dat ze net de klep van de papierkist opengezet hebben en pik snel het ouwe Salamandertje eruit.

,,I suddenly realize I still need this book'', zeg ik verontschuldigend tegen de vriendelijke, gerimpelde Puerto-Ricaan met wie ik wel eens de weersomstandigheden van de dag doorneem. Hij lacht. ,,Danish books'', zegt hij met een blik op het stapeltje, want om de een of andere reden meent hij dat ik Deens ben. Ik knik maar om de zaak niet nodeloos te compliceren en ga weer naar binnen.

`Nog ik, die in deze bundel woon/ als een rat in de val, snak naar het riool/ van revolutie en roep: rijmratten, hoon/ hoon nog deze veel te schone poëzieschool.'

Ik zet de pocket tussen de andere boeken die in de verhuisdozen gaan. Hij mag toch mee.

Zou het soms kunnen dat we hier te maken hebben met een glorieuze overwinning van de poëzie op een banaal geval van verhuisstress? Of is dat weer zo'n schuwe, humanistische opvatting van fluweel?