Pressie als bemiddeling

De bemiddelaars toonden zich verheugd, partijen speelden tevredenheid, gisteren bij de ondertekening in de Macedonische hoofdstad Skopje van het vredesakkoord. In werkelijkheid vindt de Albanese minderheid dat ze te weinig krijgt, de Slavische meerderheid dat, onder druk van de internationale mediators, veel te veel moest worden weggegeven. De modaliteiten van het akkoord zijn dan ook voorlopig minder belangrijk dan het antwoord op de vraag of zij voldoende zijn om het geweld te doen stoppen. Dat antwoord is te moeilijker te geven omdat de geweldspartij, het UÇK en zijn splinters, niet tot de onderhandelingen waren toegelaten. Of zij zich gebonden voelen door de Albanese handtekening onder het akkoord moet worden afgewacht.

De eerste horde die moet worden genomen, is de ontwapening van de Albanese rebellen. Een NAVO-macht zal beperkte tijd in Macedonië worden gelegerd om de wapens in te nemen. Doorgaans blijkt dit de zwaarste opdracht van een vredesoperatie, zoals Bosnië en Kosovo hebben laten zien en zoals ook, ten overvloede, in Ulster wordt aangetoond. Een cynische benadering zou zijn dat de NAVO het in Macedonië niet al te moeilijk zal krijgen omdat het vooral om symbolische handelingen zal gaan. Ook hier ligt de les in Kosovo. Als de ontwapening van het oorspronkelijke UÇK consequenter was doorgevoerd, zou de rebellie in Macedonië wellicht zijn uitgebleven. De NAVO heeft die rebellie bovendien aanvankelijk sterk onderschat. De verhalen over primitieve ongevaarlijke strijdgroepen zijn intussen ingeslikt. Tegenover het Macedonische leger staat een goed georganiseerde, zwaar bewapende strijdmacht, getraind in de guerrillastrijd.

De voortekenen zijn dus slecht. De kansen liggen tussen twee kwaden: de strijd gaat gewoon door en de NAVO raakt daarin betrokken, of de rebellen verbergen het merendeel van hun arsenalen en schorten hun acties op tot na het vertrek van de Atlantische organisatie. De rechtvaardiging van verder geweld zal zijn dat de bemiddelaars de eisen van de Albanezen onvoldoende ter harte hebben genomen: de Albanese taal als gelijkwaardig in heel Macedonië en een Albanees vetorecht in het parlement. Achter die rechtvaardiging zullen ook groepen optrekken die veel meer willen: opdeling van Macedonië en een Albanees recht om zich met Albanese volksplantingen elders te verenigen.

Vanaf het begin van de Joegoslavische troebelen eind jaren tachtig was duidelijk dat Macedonië de gevaarlijkste brandhaard kon worden. Tot ieders verrassing bleef de jonge republiek lange tijd gespaard terwijl om haar heen de oorlogen woedden. Maar de ellende kon niet uitblijven. Het wankele etnische evenwicht viel uiteindelijk niet te bewaren, vooral niet nadat de Albanese meerderheid in het naburige Kosovo met hulp van de NAVO de Serviërs mores had geleerd. Albanezen van Macedonië, aangevuurd en gesteund door hun strijdmakkers van over de grens, ontdekten dat op het slagveld gewonnen kon worden wat politiek al die jaren buiten bereik was gebleven: gelijkwaardigheid en misschien wel meer.

De bemiddelaars hebben onder de gegeven omstandigheden naar hun beste mogelijkheden gehandeld. De regering in Skopje, feitelijk de vertegenwoordiger van de Slavische meerderheid, moest, met behoud van de eenheid van de staat, worden overgehaald alsnog de nodige concessies te doen. Maar inmiddels werd de manoeuvreerruimte ernstig versmald door het oplaaiende geweld. NAVO en EU werden zo de kop van jut waarop de regering en haar aanhang hun frustraties konden botvieren. De bemiddeling verwerd ten slotte tot zware internationale pressie speciaal op de Macedonische regering om eindelijk toe te geven wat in Skopje weer werd uitgelegd als partijdigheid van de internationale gemeenschap.

De NAVO zal nu onder het slechtst denkbare gesternte Macedonië binnentrekken, gehaat door de Slaven, gewantrouwd door de Albanezen, resultaat van een geforceerde, van buitenaf opgelegde overeenstemming.