Ouders

In Helmond stapte een gelukkig echtpaar op de trein naar Eindhoven. Dertigers. Zij was mollig en brildragend, hij lang en donker. Ze waren lacherig en spraakzaam, alsof ze aangeschoten van een feestje kwamen. Die indruk werd nog versterkt door het aapje dat ze tussen zich in droegen.

Een speelgoedaapje.

Arie, noemden ze hem. Arie droeg een groene pet en kreeg een plekje op het tafeltje bij het raam. ,,Kan-ie fijn naar buiten kijken'', zeiden ze tegen elkaar.

Was Arie de trofee die ze aan het einde van dat leuke feestje hadden meegekregen van hun olijk knipogende gastheer? Nee, dat was Arie niet. Arie was hun kind dat ze altijd meenamen als ze ergens naartoe gingen. Je kon Arie toch niet alleen thuislaten? Dat zou je zelf toch ook niet fijn vinden? Waar zij gingen, daar ging ook Arie.

Dat ik niet naar een grap zat te kijken en dat de ouders van Arie geestelijk gehandicapt waren, begon pas na een minuut of vijf tot me door te dringen. Op een grap raak je snel uitgekeken, daarna ga je over tot de saaie orde van de dag. Maar deze mensen raakten helemaal niet uitgekeken op Arie, integendeel.

Arie was voor hen geen grap, maar een levensecht wezen. En wie raakt er nu uitgekeken op zijn kind? Hoe vaak had ik vandaag al niet naar mijn eigen dochter gekeken, die nu tegenover me zat en die ik toch al vijfentwintig jaar lang had kunnen bekijken? Je eigen kinderen moeten het wel heel bont maken wil je ooit genoeg van ze krijgen. Ouders zijn nu eenmaal minder kritisch op hun kinderen dan kinderen op hun ouders.

Zo was het ook met de ouders van Arie. Ze hielden zo zielsveel van hem dat ze nauwelijks van hem konden afblijven. Echte apenliefde. Zit je wel goed, Arie? Heb je genoeg uitzicht? Wat zeg je? Wil je ook eens naar de andere kant kijken? Nou, dan draaien we je toch even om? Of wil je toch liever... Malle Arie, wat kun je toch lastig zijn.

Arie kreeg af en toe een stevige knuffel of een aai over zijn pet. Hij onderging het, zoals elk kind, als iets vanzelfsprekends. Vooral de man kon nauwelijks van hem afblijven. Hij trok hem naar zich toe en fluisterde vrolijke geheimen in zijn oor.

De vrouw straalde meer de meewarige oplettendheid van de moeder uit.

Soms keek ze even naar ons met een blik van schalkse samenzweerderigheid: wij ouders onder elkaar. Arie, dat was me er eentje. Een handenbindertje. Je kon veel plezier hebben met het joch, maar je moest hem altijd in de gaten houden. Het kon gebeuren dat ie zomaar wegliep en uren wegbleef. Hij snoepte te veel en hij was te verzot op computerspelletjes, maar ach, dat hoorde er allemaal bij. Hoe waren we zelf op die leeftijd?

Het ouderschap van deze mensen had iets benijdenswaardigs. Zij zouden zich nooit écht zorgen over hun kind hoeven maken. Een ouder blijft altijd, tot zijn laatste snik, bang voor het ongeluk dat zijn kind kan overkomen. Is het gelukkig op school, in de liefde en het werk? Blijft het gelukkig? Enzovoorts. Voor de ouders van Arie was ouderliefde een zon zonder schaduw.