Memento mori

Lang leve de dood, zoals Gerard Reve schreef. Sylvia Tóth liet als stralende zomergast zondag bij de VPRO aan Adriaan van Dis nog eens weten hoe geroerd ze was geweest door het afscheidsinterview van Paul Witteman met voormalig Fokker-topman Frans Swarttouw, kort voor diens zelfgekozen dood. Nog één gin-tonic en dan gaan we `aan het werk', had de ondernemer later volgens de berichten tegen zijn intimi gezegd. Het was een heengaan van verpletterende eigentijdsheid. De sterpresentator had de ster-ondernemer ten overstaan van de kijkers al `een zachte dood' gewenst, het sluitstuk op een co-productie die destijds door Kees Fens werd bekritiseerd als `stuntsterven'.

Sindsdien is de beeldbuisdood alweer een stuk verder gedomesticeerd. Swarttouw was nog de avant-garde, maar tegenwoordig is een gefilmd einde ook voor gewone mensen weggelegd. Bij de Evangelische Omroep in zulke zaken, mag je hopen, toch uiterste arrière-garde was gisteren het eerste deel te zien van `Op de drempel van het leven', een drieluik over terminale patiënten in een hospice, waarin ook het levenseinde wordt gefilmd van een verstandelijk gehandicapte vrouw. Verschillende recensenten in de kranten hebben in voorbeschouwingen al onderstreept hoe `integer' een en ander is aangepakt, en inderdaad, de film is, althans afgaande op het eerste deel, gespeend van sensatiezucht en doordrenkt van empathisch humanisme.

Dat is inderdaad opmerkelijk, maar om meer dan één reden. Want wat wil nu juist de Evangelische Omroep, verspreider van een blijde boodschap over eeuwig leven, bereiken met een humaan, integer verslag van het stervensproces? Pastorale zorg stond bij de omroep de afgelopen decennia toch aanmerkelijk lager aangeschreven dan bekentenissen over een nieuw leven in Jezus. Afgaande op uitspraken van hoofd informatieve programma's Arjan Lock, en van het verplegende team in de uitzending, wil de omroep vooral laten zien dat een natuurlijke dood waardig kan zijn, en dat het mogelijk is humaan te sterven zonder euthanasie. De natuur kan even zacht zijn als `dokter' Drion.

Dat is natuurlijk waar soms. En de zorgen van de Evangelische Omroep over `eugenetische' tendensen in onze samenleving zijn, hoe overdreven alarmistisch geformuleerd ook, op zichzelf nog wel begrijpelijk. De terloopse manier waarop minister Borst een paar maanden geleden, direct na het aannemen van de nieuwe euthanasiewet, alweer sprak over verdergaande medische hulp bij zelfdoding, en de drammerige stelligheid van een Drion-dragonder als de ethica Heleen Dupuis, zijn genoeg om iedereen met wat meer aarzeling in zijn botten kopschuw te maken voor de zegeningen van het liberale zelfbeschikkingsrecht.

De tijden zijn dan ook ingrijpend veranderd sinds het humanistische ideaal van zelfbeschikking en zelfontplooiing voor het eerst opgeld deed: het ideaal is namelijk werkelijkheid geworden. Daarmee komt desillusie, onzekerheid en, onvermijdelijk, angst. De óók weer overdreven kritiek op de `dood in een witte jas' zoals het blad Die Zeit de uitspraken van Borst kwalificeerde getuigt van onbehagen met een maatschappelijke orde die alles laat draaien om maakbaarheid en nutsdenken, van de transformatie van een nationale economie tot het persoonlijke `levenseinde'. Memento mori is dan geen spreuk meer die een mens wordt voorgehouden als oefening in bescheidenheid of een besef van eindigheid, het wordt de oproep tot een goed gepland levenspad dat als het even kan alvast met de huisarts moet worden doorgesproken.

Toch zijn de tegenstellingen hier minder scherp dan ze lijken. Want hoe kritisch ook, de Evangelische Omroep verpakt zijn zorgen over de profanisering van de dood in hetzelfde humanistische idioom dat haar tegenstanders gebruiken om euthanasie te rechtvaardigen: dat van een invoelende, open omgang met de dood, en respect voor het onvermijdelijke einde dat met waardigheid wordt gedragen. ,,Het liefst zou ik zien dat de dood bespreekbaar wordt'', zei Arjan Lock maandag in de Volkskrant over het drieluik. ,,Voor veel mensen is het toch moeilijk om daarover te praten. Deze documentaire is een poging om te laten zien dat de dood bij het leven hoort.''

Het zijn vergelijkbare beweegredenen als te horen zijn bij de tegenpolen van de Evangelische Omroep: D66, pleitbezorgers van de Drion-pil, en andere seculiere voorvechters van een `open', bespreekbare omgang met de dood. Je kunt je zelfs afvragen wat dit nog te maken heeft met de heilsboodschap die de omroep wil uitdragen. Zeker, in de bijbel is de mens per definitie sterfelijk, maar de dood blijft er als metgezel van de zonde toch doorgaans gekenschetst als een kwaad, een euvel, iets dat niet moet worden geaccepteerd maar moet worden overwonnen? Het christendom heeft zich in dat opzicht altijd onderscheiden van antieke levensbeschouwingen als het Grieks-Romeinse stoïcisme, dat de dood inderdaad zag als een noodzakelijk onderdeel van het natuurlijke proces, dat met evenveel gelijkmoedigheid moest worden bezien als het leven zelf. Tegenwoordig is die overtuiging, in alle bonte kleuren en toonaarden, vooral aan te treffen op de schappen van New Age-boekwinkels. Zo is de EO moderner dan de omroep misschien zelf onder ogen zal willen zien.

Nog iets anders. Gaat het wel om de vraag of de dood `integer', en als `horend bij het leven' te registreren is en of dat is gelukt in de EO-documentaire (natuurlijk is dat mogelijk en ja, het is gelukt), en niet eerder om de vraag waaróm je dat zou willen? Het antwoord op die vraag ligt misschien helemaal niet in de sfeer van medische ethiek en euthanasie, maar elders. Wij, burgers van een anonieme maatschappij, willen onszelf permanent zien op de televisie, in al onze banaliteit (zie Big Brother en de stortvloed aan samen-onder-de-douche shows bij de commerciële omroepen), èn in al onze intimiteit, van liefdes- tot sterfbed. Zo bezien zijn het verloederde Big Brother en het integere EO-programma twee kanten van dezelfde medaille: uitingen van een samenleving die er maar geen genoeg van krijgt zichzelf aan te staren.