Europees Jeugd Orkest speelt tussen de wereldmachten

In aanwezigheid van koningin Beatrix trad gisteravond het Europees Jeugd Orkest op in het Amsterdamse Concertgebouw. Het concert, dat zondagavond ook al werd gegeven in Rotterdam, dit jaar `Culturele hoofdstad van Europa', maakte onderdeel uit van de 23ste tournee van het orkest, dat na zware audities deze keer zes Nederlandse jonge musici telt. Het eerste deel van de tournee stond onder leiding van Sir Colin Davis, het tweede deel met optredens in ons land, Bolzano en Luzern, staat onder leiding van de Estlander Paavo Järvi, de zoon van dirigent Neeme Järvi.

Het podium van het Amsterdamse Concertgebouw bood een wel zeer kleurig aanzien. Op het orgel stonden de vijftien vlaggen van de EU-leden en de Europese vlag. De vrouwelijke leden van het Europees Jeugd Orkest — veruit in de meerderheid — waren ook uitgedost in de Europese kleuren: lange helblauwe jurken, opgesierd met sjerpen met gouden sterren. Het leek wel een roadshow voor de euro. De lichtblauwe bloemversiering op de podiumrand verbleekte geheel.

Het Europees Jeugd Orkest, opgericht in 1978, hoeft zijn artistiek belang niet meer te bewijzen en de Europese eenwording heeft zo'n nadrukkelijke vorm van internationaal nationalisme evenmin nodig. Amerikaanse orkesten kleden zich toch ook niet in de Stars and Stripes, Russische orkesten hebben zich ook nooit gehuld in de Rode vlag. En het Europees orkestraal voetengestamp na afloop, uitlokkend tot ritmisch geklap van het publiek, is evenmin chic.

Even uitbundig en opzichtig als het Europees Jeugd Orkest oogde, klonk de suite uit De liefde voor de drie sinaasappelen van Prokofjev. Het zeer groot bezette orkest speelde vaak erg luid, flitsend en virtuoos. Deze Järvi, die binnenkort het orkest van Cincinnati gaat leiden, is een dirigent van effectieve contrasten waartussen zich niet altijd veel nuances bevinden. Dat hoeft in deze nadrukkelijke muziek ook meestal niet, maar het deel `De prins en de prinses' klonk in ieder geval fraai en teer.

Met het Pianoconcert van Schumann ligt het stilistisch veel moeilijker. Het werk uit 1845 is een van de schaarse incidenten uit het lange bijna pianconcertloze tijdperk tussen het Vijfde pianoconcert van Beethoven (1809) en het Eerste pianoconcert van Brahms (1860). Tussen het classicisme van Beethoven en het neo-classicisme van Brahms was het tijdens de romantiek worstelen met vorm en inhoud. Chopin kwam niet verder dan orkestraal begeleide pianosoli.

Schumanns concert is grillig en problematisch, het resultaat van plakwerk van diverse stukken. Beter dan met de beladen term `romantiek' zou men deze muziek wat laatdunkender kunnen karakteriseren als `biedermeider', vooral wegens de licht-ridderlijke sfeer in pasteltinten in het laatste deel. Men moet over deze Schumann wellicht niet te veel en streng nadenken, maar dat gebeurt toch onvermijdelijk als het stuk fungeert als centrum van een concert, waarop ook iets anders had kunnen klinken.

In de vertolking van Paavo Järvi en de gerespecteerde Britse pianiste Imogen Cooper kwamen alle stilistische aspecten met verwarrende verve en onbekommerde flair aan de orde. Het was alsof de problemen niet hoefden te worden opgelost, maar beter breed kon uitgemeten en geïnventariseerd. Het Allegro affetuoso klonk als een stevige poging tot classicisme, het Andantino grazioso poezelig zacht en gevoelig sprookjesachtig terwijl het Allegro vivace aanleiding gaf tot plezierig en charmant muzikantesk musiceren.

De programmering van de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw levert deze week een klein `Strawinsky-festival' op. Zondag klonk bij de Tindal Centennial Band Strawinsky's Tango, gisteravond speelde het Europees Jeugdorkest na de pauze Petroesjka. Morgen klinkt bij het Moskou Symfonie Orkest o.l.v. Arthur Arnold de suite De vuurvogel en donderdag speelt het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly Agon en de suite uit De vuurvogel. Het Moskou Symfonie Orkest vervangt het Nationaal Symfonie Orkest van Litouwen, dat in financiële problemen verkeert, anders zouden we ook nog Le sacre du printemps hebben gehoord.

Meer dan in de spectaculaire tutti-passages in Prokofjev en de begeleiding van Schumann, waarin de hoboïst moeilijke momenten had, was Petroesjka met zijn vele soli een test voor de individuele kwaliteiten van de getalenteerdsten onder de jonge Europese musici. Trompet, klarinet en fluit (in lyrische passages) waren top, maar de trombonesectie had wel ècht mogen scheuren. En Strawinsky's ostinato had in de blazerspassages met meer scherpte en attaque mogen klinken.

Twee toegiften waren er: een stukje uit Strawinsky's Scherzo à la Russe en Sjostakovitsj' arrangement van Tea for Two.

Voor wie het symbolisch wilde zien: Europa speelt tussen de wereldmachten.

Concert: Europees Jeugd Orkest o.l.v. Paavo Järvi m.m.v. Imogen Cooper, piano. Programma: S. Prokofjev: suite De liefde voor de drie sinaasappelen; R. Schumann: Pianoconcert in A; I. Strawinsky: Petroesjka. Gehoord: 13/8 Concertgebouworkest.