De tweede oorlog

,,Mamma, waar zit je hart, altijd?'' Het is vroeg in de ochtend, mijn jongste zoontje is zojuist bij ons in bed gekropen. ,,Hier'', hoor ik mijn vrouw slaperig zeggen. Ons zoontje begint te giechelen. Blijkbaar heeft ze hem geknepen. ,,En wat doet je hart? Waarom heb je een hart'', vraagt hij.

Ik kijk eens op de wekker. Het is tien over halfzeven, zaterdagochtend, buiten is het nog donker. ,,Je hart is een motortje dat ervoor zorgt dat het bloed door je lichaam wordt gepompt'', zegt mijn vrouw. Ze zegt het zonder enige aarzeling. Hij aarzelt evenmin. ,,O'', zegt hij afwezig. Om meteen daarna te vragen: ,,Mag ik zo televisie kijken?''

We hebben veel van dit soort gesprekken, de hele dag door. Ze beginnen en eindigen vrijwel altijd abrupt. En geregeld zitten er grote levensvragen bij. ,,Wie was Jezus eigenlijk?'' ,,Geloof jij dat God bestaat?'' ,,Waarom zijn opa z'n vader en moeder doodgegaan in de oorlog?''

Laatst vroeg mijn oudste zoontje tijdens het avondeten aan mijn vrouw: ,,Komen er op jouw werk nou veel vrouwen voor een abortus omdat ze zijn verkracht?'' ,,Nee hoor'', zei mijn vrouw. ,,Meestal gaat het om ongelukjes. Mannen en vrouwen hebben dan wel gevreeën, maar zonder condoom.'' Hij proestte het uit – vrijen en condooms, er zijn weinig dingen waar hij zó om moet lachen.

Ik ben weleens jaloers op de open en onbevangen antwoorden van mijn vrouw. Ik wou dat ik dat zo kon. Ik heb de neiging om eerst even na te denken, en dan is het moment vaak alweer voorbij. Of ik ga te lang door.

Volgens mij was mijn dochter vijf toen zij vroeg wat ik nou dacht van God. Bestond-ie of bestond-ie niet? Op school hadden ze gezegd dat de mens van de apen afstamt. Ik begon aan een zin over apen (,,Dat klinkt misschien héél gek, want nu lijken we daar helemaal niet meer op...'') en over God. Ik zei dat sommige mensen dit denken en andere dat, en dat zij te zijner tijd zelf kon kiezen – want het leek me een beetje vroeg om mijn hekel aan kerken en religie al expliciet over te dragen.

We zaten in de auto. Nauwelijks halverwege mijn betoog zag ik haar al naar buiten kijken. ,,Je wilt toch weten wat ik ervan vind'', zei ik, kleinzielig. Ze draaide haar hoofd naar me toe. ,,Ja'', zei ze, ,,ik wil weten: geloof jij dat God de mens heeft gemaakt.''

,,Nee'', zei ik, ,,daar geloof ik helemaal niks van.''

Je hoort dit soort gesprekken trouwens ook wel tussen kinderen onderling. Het zijn vaak echo's van gesprekken met volwassenen, waarin je meteen hoort wat er wel en niet is blijven hangen. Zo hoorde ik ooit, op de achterbank van een auto, dit gesprekje tussen mijn dochter (toen zes) en haar hartsvriendin (toen zeven). De vriendin begon:

,,Weet jij wat de tweede oorlog is?''

,,Nee.''

,,Weet je wat tweede is?

,,Dat wel.

,,En weet je wat oorlog is?

,,Dat ook.

,,Nou dat is de tweede oorlog.

,,O, nou begrijp ik het.