Dansen

Adriaan, die ik ken van het werk, is vandaag getrouwd. Ook ik ben uitgenodigd op het avondfeest in de schuur van de ouders van de bruid. Met zeildoek, vlag en wimpel is daar iets gezelligs van gemaakt. Op een podium staan vier muzikanten hun best te doen.

Voor dat podium liggen plankieren, ja ik noem het maar plankieren. Dat is een mooi woord voor deze aan elkaar getimmerde planken, met kieren ertussen. Ze zijn bedoeld om op te dansen, zo liggen ze er ook bij, ze stralen het uit: `Kom op ons dansen, kom op ons dansen.'

Niemand danst.

Ik wil wel dansen, want ik ben hier uitgepraat. Wat ik nog te melden heb is het niet waard om met veel moeite boven de muziek uit in andermans oor te schreeuwen. En wat de anderen te melden hebben ontgaat me. Ik heb nou al drie keer gezegd: ,,Wat zeg je?''

Kom, het is mooi geweest. Laten we gaan dansen.

Twee vrouwen – collega's van mij, dus ik ken ze – maken al voorzichtige bewegingen. Ik voeg me bij hen en beweeg aarzelend mee.

Dansen wij? Ja, het lijkt er wel op.

Smekend kijken wij om ons heen naar de anderen: `Kom erbij, doe mee, laat ons niet alleen.' Maar ze blijven allemaal staan. Ze drinken en ze praten. Zij kunnen elkaar nog verstaan. Zij wel.

Ik kijk omlaag en schrik. Die broek van mij, die benen, dat gedans van mij, het lijkt nergens op. Hoempa, hoempa, doen die benen. Ze bewegen zich niet strak en subtiel op de maat van de muziek, nee, het lijkt of ze cement staan te mengen. Dit is niet dansen, dit is om je voor te schamen. Waarom schaam ik mij niet? Waarom schamen die twee vrouwen, medeplichtig in dit overmoedig avontuur, waarom schamen ze zich niet voor mij?

Het is genoeg geweest. Ik rangeer mezelf zo onopvallend mogelijk van de plankieren af. Naar de bar. Pilsje. Zitten en kijken.

Een dans hoort een naam te hebben: quickstep, chachacha, Engelse wals. Dansen, dat moet je niet zomaar mogen kunnen, je behoort er les in gehad te hebben. Dansscholen zijn er nog volop, het stijldansen is niet dood, je kunt er kampioen in worden, ik weet het.

Maar ik zie het alleen nog gebeuren tijdens dorpsfeesten in Frankrijk. Op het plein bij de kerk dansen de ouden van dagen over het ontruimde parkeerterrein. In de brandende zon speelt de accordeonvereniging uit een naburig dorp bekende deunen als `l'Hirondelle du faubourg' en `Les roses blanches'. Mannen met gele sigarettenpeuken tussen hun aangetaste gebitten en vrouwen met kolossale konten schommelen heen en weer, lachen naar elkaar, genieten.

Op de bruiloft van Adriaan wordt anders gedanst. De plankieren staan inmiddels stampvol. Het lijkt alsof de gasten gewacht hebben tot ik plaats zou maken. Iedereen is jong en mooi en iedereen weet zich te bewegen.

Ik zit op mijn barkruk, ik lurk aan mijn biertje en sla de dansende menigte gade. De muzikanten doen ineens ook veel meer hun best. De zanger zingt: `I will never break away from you.'

Een lekker meisje zingt mee. De man met wie zij danst is een geluksvogel. Het zal je maar gebeuren, dat je jezelf op een doordeweekse dag zo mag laten gaan met een meisje dat kittig beweegt en dat je met ondeugende ogen aankijkt terwijl ze zingt dat ze nooit bij je weg zal gaan: `I'll never break away...'' – met haar lange haren schudt ze van `nee nee nee', om dat `never' meer kracht bij te zetten... `never break away from you'.

Een goed lied voor op een bruiloft.