Akkoord van Ohrid regelt rechten minderheden

Het gisteren in Skopje getekende akkoord tussen de Macedoniërs en hun Albanese minderheid geeft de etnische minderheden in Macedonië een reeks rechten waar ze tien jaar lang vergeefs voor hebben gepleit. Ook de andere minderheden in Macedonië profiteren van het akkoord.

De woorden `Albanees' of `minderheid' komen in de tekst van het akkoord nauwelijks voor. Gesproken wordt over burgers `behorend tot gemeenschappen die niet de meerderheid van de bevolking van Macedonië vormen'. Macedonië telt naast de Albanese nog vele andere minderheden, zoals Roma, Serviërs, Turken, Vlachen, Bulgaren en Aroemenen.

Een belangrijke bepaling in het akkoord is de afspraak dat de inleiding van de Macedonische grondwet wordt gewijzigd. De door de Albanezen steeds afgewezen formulering dat Macedonië ,,de nationale staat van het Macedonische volk'' is, wordt geschrapt en vervangen door de bepaling dat Macedonië een gemeenschap van al haar etnische groepen is.

Het akkoord bestaat uit een kaderdocument met tien paragrafen en drie aanhangsels. De aanhangsels bevatten wets- en grondwetswijzigingen, zoals de wijziging van de grondwetsinleiding. In de grondwet verliest de orthodoxe kerk de status van officiële kerk: in het vervolg staan de Macedonisch-orthodoxe, de rooms-katholieke en de islamitische godsdienst op gelijke voet (de meerderheid van de Albanezen is moslim, een minderheid katholiek).

Het kaderdocument stoelt op een reeks ,,basisprincipes'', waaronder het afzien van ,,geweld voor politieke doelen'' (,,Alleen vreedzame politieke oplossingen kunnen een stabiele en democratische toekomst van Macedonië verzekeren''), het eenheidskarakter van de staat, het multi-etnische karakter van de samenleving en de noodzaak voor de ontwikkeling van lokaal zelfbestuur. De laatste twee principes zijn voor de Albanese minderheid van groot belang. Het `eenheidskarakter' van de staat wordt onderstreept om de Macedoniërs gerust te stellen: tot de door de Albanezen oorspronkelijk gewenste federalisering komt het niet. De Macedoniërs zagen die federalisering als de eerste stap op weg naar de afscheiding van de gebieden van de Albanese minderheid. Het akkoord voorziet verder in het staken van alle vijandelijkheden, ,,de complete vrijwillige ontwapening van de etnisch-Albanese gewapende groepen en hun complete vrijwillige ontbinding''. Die passage is een van de weinige waarin het woord Albanees voorkomt.

Het akkoord kondigt een nieuwe wet op het lokale zelfbestuur aan. Doel van die wet is een uitbreiding van de competenties van ,,gekozen plaatselijke functionarissen'' op het gebied van onder andere stadsplanning, milieu, gezondheidszorg, financiën en onderwijs. De gemeentegrenzen worden gewijzigd ,,binnen een jaar na een nieuwe volkstelling, die onder internationale supervisie aan het eind van 2001 wordt gehouden''.

Deze volkstelling is van belang, omdat niemand weet hoe groot de Albanese minderheid in Macedonië precies is: de twee vorige volkstellingen (de enige sinds Macedonië onafhankelijk werd) zijn geboycot door de Albanezen. Officieel maken zij daarom `slechts' 22 procent van de bevolking uit; algemeen wordt aangenomen dat dat de Albanezen in werkelijkheid rond 35 procent van de bevolking uitmaken. Omdat de taalrechten voor minderheden betrekking hebben op gemeenten waar die minderheden twintig procent of meer van de bevolking uitmaken, is het van groot belang te weten te komen hoeveel procent van het aantal inwoners van elke gemeente deel uitmaakt van een minderheid. Zonder de nieuwe volkstelling kan het akkoord niet zorgvuldig worden uitgevoerd. Overigens kunnen Macedoniërs ook een minderheid vormen – in Albanese gemeenten als Tetovo en Gostivar. Hun recht op het gebruik van hun taal is echter overal gegarandeerd, want Macedonisch is een officiële taal in heel Macedonië.

Een ander belangrijk onderdeel van het akkoord is de hervorming van de politie, waarin de Albanezen ernstig zijn ondervertegenwoordigd. Binnen twee jaar moet het percentage Albanezen bij de politie – nu drie tot zes – even groot zijn als hun aandeel in de totale bevolking van Macedonië. Dat geldt overigens ook voor andere minderheden. De Albanezen hebben lang gevochten voor het recht, burgemeesters lokale politiechefs te laten benoemen. Dat recht hebben ze niet gekregen. ,,Lokale politiechefs worden door gemeenteraden geselecteerd uit lijsten van kandidaten, voorgesteld door het ministerie van Binnenlandse Zaken'', zo zegt het akkoord. ,,Het ministerie van Binnenlandse Zaken behoudt de autoriteit lokale politiechefs te verwijderen.'' Het akkoord zegt niet met zoveel woorden wat wel is afgesproken, namelijk dat als gemeenteraden alle voorgestelde kandidaten voor de functie van politiecommandant afwijzen, het ministerie het recht heeft zijn eigen kandidaat te benoemen tegen de zin van de gemeenteraad. De eindverantwoordelijkheid voor de politie blijft dus, tot ergernis van de Albanezen, in Skopje liggen.

Het akkoord voorziet verder in de invoering van de `dubbele meerderheid' in het parlement. Wetten zijn pas aangenomen als de meerderheid van de stemmen van de parlementariërs óók een meerderheid van de Albanese parlementariërs bevat. Wijst een meerderheid van de Albanezen in het parlement de wet af, dan is die verworpen, ook als de meeste parlementariërs vóór hebben gestemd. Dat geldt evenwel uitsluitend voor wetsvoorstellen die direct betrekking hebben op de cultuur, het gebruik van de taal, onderwijs, lokale financiën, lokale verkiezingen, de stad Skopje (waar veel Albanezen wonen) en gemeentegrenzen. Voor andere wetten is een gewone, enkelvoudige meerderheid afdoende. Grondwetswijzigingen behoeven een tweederde meerderheid èn een meerderheid van de afgevaardigden van de minderheden. De Albanezen eisten aanvankelijk een vetorecht op alle parlementaire besluiten en een Albanese vice-president.

Op het gebied van onderwijs krijgen de Albanezen eindelijk de staatsfinanciering van hun universiteit. In december 1994 richtten ze hun eigen Albaneestalige universiteit op in Tetovo – dit tot woede van de Macedoniërs, die de gebouwen met bulldozers met de grond gelijk maakten en de rector voor jaren in de gevangenis stopten. Vorig jaar werd – dankzij bemiddeling van OVSE-minderhedengezant Max van der Stoel – afgesproken dat ,,privé-universiteiten'' in Macedonië worden toegestaan. Het akkoord van Ohrid voorziet nu in ,,staatsfinanciering voor onderwijs op universitair niveau in talen die worden gesproken door tenminste twintig procent van de bevolking'' – hetgeen suggereert dat de universiteit van Tetovo wordt gelegaliseerd, ook al wordt die niet specifiek genoemd. Tot nu toe was in Macedonië alleen lager onderwijs in minderheidstalen gegarandeerd.

De eis, dat het Albanees de tweede officiële taal in heel Macedonië wordt, is niet gerealiseerd. In het akkoord krijgt het Albanees de status van (tweede) officiële taal in gemeenten waar de Albanezen minimaal twintig procent van de bevolking uitmaken. Dat recht krijgen ook de andere minderheden in gemeenten waar ze minimaal twintig procent van de bevolking vormen. Het recht betreft communicatie met zowel de plaatselijke overheid als plaatselijke of regionale bureau's van de centrale overheid en communicatie in rechtbanken.

Verder zijn lokale overheden volgens het akkoord vrij om ,,voor openbare gebouwen emblemen te plaatsen die de identiteit van de meerderheidsgroep in de gemeente markeren''. Ook dat is een belangrijke concessie aan de Albanezen: in 1996 vielen in de stad Gostivar diverse doden bij rellen, die uitbraken nadat de burgemeester de Albanese vlag had gehesen op het gemeentehuis en de Macedonische politie die wilde verwijderen. De burgemeester werd in 1997 veroordeeld tot dertien jaar en acht maanden gevangenisstraf. In hetzelfde jaar kregen de burgemeester en een lid van de gemeenteraad van Tetovo 2,5 jaar gevangenisstraf omdat ze hadden geweigerd de Albanese vlag van het gemeentehuis te verwijderen.