Aanzien van Europa gebaat bij gekozen president

Europa staat bij de gemiddelde burger van de afzonderlijke lidstaten niet in best aanzien. Hun voormannen en -vrouwen spreken nauwelijks tot de verbeelding en inzicht in de besluitvorming is slechts een enkele burger gegeven. Wil Europa het grote publiek bereiken dan is een direct gekozen Europees president een eerste vereiste, meent W. Langeveld.

De uitslag van het Ierse referendum tegen de uitbreiding van Europa met nieuwe Oost-Europese lidstaten heeft velen aan het denken gezet. Ook dit voorjaar bleek uit Europees opinie-onderzoek (de Eurobarometer) dat de steun voor het lidmaatschap van Europa van alle 15 lidstaten gedaald was met twee procent tot gemiddeld 48 procent. Die steun lag in Nederland weliswaar nog op 63 procent, maar was met acht procent afgenomen vergeleken met het vorige onderzoek in het najaar van 2000. Het is een indicatie dat vele burgers in de lidstaten weinig tot niets op hebben met het Europese uitbreidingsproces.

Nu was er al nauwelijks zoiets als een `Europees bewustzijn' toen West-Europa zich bedreigd voelde door de Sovjet-Unie. Het is dus niet zo verbazingwekkend, dat na de ineenstorting van de Sovjet-Unie die bedreiging is weggevallen, er nog minder animo voor Europa bestaat, laat staan voor uitbreiding met landen die vroeger tot het communistisch blok behoorden.

Denkend aan het verenigd Europa zien velen niet meer dan onduidelijke bureaucratische regelgevende instanties in Brussel, met daarbij behorende profiterende ambtenaren en parlementariërs. Een positief effect zoals de afschaffing van de paspoortcontrole aan de grenzen is iets wat de meeste burgers maar een enkele keer als vakantiegangers beleven.

Ook de economische verbeteringen bleven en blijven veelal onzichtbaar en de introductie van de euro móet een succes worden op straffe van een grote stap terug in het Europese integratieproces. Wat dat betreft ziet het er zorgelijk uit, omdat het economisch klimaat ook al niet meewerkt tot het bereiken van zo'n succes.

Europa bestaat uit een aantal natiestaten, waarvan het kenmerk is dat ze een eigen geschreven taal bezitten. Met die natiestaten hebben de burgers zich in de loop der jaren geïdentificeerd, zodanig dat er iets van solidariteit is ontstaan. In Nederland bijvoorbeeld betalen mensen doorgaans zonder veel gemor belasting en sociale premies. Ook bestaat fiducie in de leiders en leeft het gevoel dat het land redelijk goed bestuurd wordt. Die identificatie, dat gematigde nationalisme dat ook speelt bij voetbalwedstrijden e.d. is belangrijk in verband met de daaruit ontstane sociale cohesie.

Maar welk vergelijkbaar gevoel bestaat ten aanzien van Europa? Het antwoord is geen. Natuurlijk beseffen burgers dat ze deel uitmaken van dat werelddeel, ook hebben ze veelal vage ideeën over het samengaan van landen. Maar bij Europese verkiezingen blijkt iedere keer, dat men daar de gang naar het stembureau er niet voor over heeft. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. Europa staat ver van veler bed, en als het dichterbij komt, zoals tijdens de MKZ-crisis, dan raakt dat speciale groepen, niet de gehele bevolking.

Natuurlijk, er is veel meer contact tussen de bevolking van de Europese lidstaten en Oost-Europese landen door toerisme, sport, handel en verkeer dan ooit, en de wederzijdse invloed op cultureel terrein is groot. Maar dat laat onverlet dat verschillen tussen de lidstaten nog steeds groot zijn en negatieve gevoelens ten opzichte van elkaar geregeld de kop opsteken. Bijvoorbeeld over de Duitse kokkelvissers op de Wadden, de Franse kritiek op het Nederlandse drugsbeleid, of over het streven van Nederland om meer stemmen in de Europese Ministerraad te verwerven dan België.

Steeds blijkt dat het dan gaat om het principe van `eigen volk eerst', ook wel gezond patriottisme genoemd. De vraag blijft actueel hoe er ooit een Europees bewustzijn ontstaat, van waaruit men bereid is concessies te doen aan andere nationaliteiten. Sommigen zeggen dat dat nu al gebeurt en verwijzen naar de verdeling van Europese fondsen. Die redenering gaat nauwelijks op. Immers, de verdeling van die fondsen geschiedt min of meer in het verborgene en ontgaat de gemiddelde burger geheel.

Het is juist dit Europese obscurantisme dat tot dusverre mede de integratie heeft mogelijk gemaakt. De invoering van de euro zal de eerste belangrijke stap zijn die daarin verandering moet brengen. Dan hebben alle burgers op een gevoelige manier met Europa te maken – in de portemonnee. De toetreding van de Oost-Europeanen is de tweede gevoelige stap, want die zal waarschijnlijk een nieuwe immigrantenstroom op gang brengen.

In de loop der jaren is onvoldoende gedaan om het Europees bewustzijn van de burgers te bevorderen. Misschien was het enthousiasme voor Europa nog het grootst direct na de Tweede Wereldoorlog. De mislukking van de Europese Defensie Gemeenschap, in 1954, heeft een enorme domper op die geestdrift gezet en de economische samenwerking die daarna volgde, voltrok zich veelal in het verborgene. In ieder geval is nooit echt moeite gedaan de resultaten daarvan (zoals de effecten van de afschaffing van invoerrechten) voor de burgers inzichtelijk te maken.

In de hedendaagse politieke cultuur van de westerse democratieën spelen personen de belangrijkste rol. Politieke partijen en ideologieën hebben sterk aan betekenis ingeboet. De invloed van de televisie op dit proces is evident. Europese intanties missen nu juist elk herkenbaar persoonlijk moment. De Europese commissarissen – voorzitter Prodi voorop - zijn bij het publiek nagenoeg onbekend. Om Europa dichter bij het grote publiek te brengen is er dringend behoefte aan bekende, zo niet populaire personages.

Een Europees president zou een goed begin zijn om daarin te voorzien en wel één die is gekozen door de Europese burgers. Hij zou voorlopig de plaats kunnen innemen van de voorzitter van de Europese Commissie en naar buiten toe wellicht een meer vertegenwoordigende functie kunnen krijgen.

Kandidaten voor dit voorzitterschap zouden in nationale en internationale voorronden gekozen kunnen worden. De zittingsperiode zou vijf jaren kunnen zijn met de mogelijkheid tot eenmalige herverkiezing. Politieke partijen, maar ook andere organisaties, zouden kandidaten naar voren kunnen schuiven, waarbij de media zich bepaald niet onbetuigd zouden moeten laten.

Het lijkt erop of dit een top-bottom constructie is, maar in feite is het omgekeerde het geval. Europees bewustzijn heeft alles met betrokkenheid te maken en die richt zich eerder op personen dan op bureaucratische instanties en staatsrechtelijke structuren.

Drs. W. Langeveld is oud-hoofdmedewerker politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.