Tsjechov in Melichovo

Vrediger kan een huis er niet bij liggen. Houten muren, donkerbeige geverfd, een aquamarijnen dak, hoge populieren, lage appelbomen, een vijver vol kroos en een tuin vol bloemen. Hier, in het dorpje Melichovo, op zo'n 60 kilometer van Moskou, bracht schrijver en arts Anton Tsjechov (1860-1904) zeven jaren door. Hij kocht het bescheiden buiten in 1892, op zoek naar rust en contact met `het volk'.

Rust kreeg hij weinig, contact met het volk volop. Hij nodigde vrienden uit en had een gratis spreekuur voor de boeren. Al in de eerste zomer werd hem verzocht om in de regio de strijd tegen de oprukkende cholera te leiden. Hij kreeg een assistente, maar die raakte aan de morfine. ,,Ik heb ook morfine nodig'', schreef hij aan een vriend, ,,ik heb aambeien als trossen druiven.''

Tsjechov leefde in Melichovo in de schaduw van zijn eigen dood, die in de vorm van tuberculose langzaam over hem neerdaalde. Het maakte hem bijna manisch actief. Hij plantte tientallen fruitbomen, kweekte rozen en bestelde in heel Rusland vissen voor de vijver. Het dagboek van zijn vader (Tsjechov woonde in Melichovo met zijn ouders en zus Marija) vermeldt de ene bouwactiviteit na de andere. In de tuin verrees de vleugel (een begrip in de literatuur over Tsjechov), een elegant gebouwtje waar hij gasten onderbracht en spreekuur hield. Hing de rode vlag uit, dan wisten de boeren: de dokter ontvangt. Hier ook kon hij rustig werken. Hij schreef er het toneelstuk `De Meeuw'.

Toen in de jaren veertig van de vorige eeuw werd besloten om in Melichovo een museum te stichten, was het hout van het woonhuis en de bijgebouwen door de boeren uit de buurt allang weggesleept. Alleen de vleugel stond nog overeind. Het enige originele gebouw op het complex verkeert in slechte staat en is gesloten voor publiek, maar voor het Nederlandse bezoek haalt hoofdconservator Ksenja Tsjajkovskaja het zware hangslot van de deur.

Het interieur is bescheiden, het mooiste is de enorme reistas waarmee Tsjechov in 1890 dwars door Siberië naar het eiland Sachalin trok om er het miserabele leven van de dwangarbeiders te boekstaven. ,,Dat ding is ook hard aan restauratie toe'', bromt mevrouw Tsjajkovskaja.

Met een vraag over Tsjechovs correspondentie zorg ik voor enige consternatie. In de brieven aan Lika Mizinova (een huwelijk met haar hing enige tijd in de lucht) duikt een aantal keren, en niet alleen in de zomer, een raadselachtig zinnetje op: ,,De kruisbessen zijn rijp.'' Tot nu toe heeft niemand die geheimzinnige zin kunnen duiden, maar misschien weet mevrouw Tsjajkovskaja meer? Er wordt een collega bijgehaald, maar een antwoord blijft uit. Wel krijg ik even later een handjevol rijpe kruisbessen overhandigd, uit Tsjechovs tuin.

Tsjechovs vele activiteiten (hij leidt in de regio de volkstelling van 1897, bouwt drie scholen) houden de harde werkelijkheid niet buiten de deur. Zijn gezondheid dwingt hem naar het zuiden. Het afscheid van Melichovo is langgerekt en niet vrolijk. Al tijdens een maandenlang verblijf van Anton in Zuid-Frankrijk groeit de zorg voor huis en land de achtergebleven familieleden boven het hoofd. De tuin wordt verwaarloosd, personeel raakt aan de drank. Vaders dagboek maakt in de laatste twee jaar geen melding meer van bouwactiviteiten.

Tsjechov koopt een huis in Jalta en doet in de zomer van 1899 het landgoed in Melichovo van de hand. In de meimaand daarvoor komt de actrice Olga Knipper, Tsjechovs toekomstige vrouw, nog op bezoek. Het sluipend verval ontgaat haar, ze vindt het er vooral gezellig, wat te maken zal hebben gehad met Tsjechovs charme.

Die schrijft haar kort daarop een van zijn laatste brieven uit Melichovo, met de aanhef: `Gegroet, laatste bladzijde van mijn leven'.