Strafproces in revisie

Het strafproces is in een stroomversnelling geraakt. Wetswijzigingen volgen elkaar in steeds sneller tempo op. In de eerste vijftig jaar van ons Wetboek van strafvordering waren dat er zestig, dat is dus ruim één per jaar. De kleine kwart eeuw die daarop volgde (1976-1999) waren dat er nog eens honderdzestien, dat is gemiddeld vijf per jaar. Het gevolg wordt zelfs door de specialisten betiteld als een oerwoud van incidentele regelingen en jurisprudentiële oplossingen die elkaar voortdurend verdringen en overwoekeren.

Het is kortom tijd voor een grondige bezinning op ons Wetboek van strafvordering, dat in 1926 werd ingevoerd. De regering heeft daartoe een opdracht gegeven aan de universiteiten van Groningen en Tilburg. Er zijn nu twee rapporten verschenen en door vakgenoten besproken op symposia die zoals minister Korthals (Justitie) het elegant uitdrukte ,,in uiteenlopende mate tot bijval of afwijzing strekten''.

De geleerden zijn verdeeld, maar het gaat om meer dan academische kwesties. De rechtszaal is steeds vaker het toneel van een felle partijenstrijd. De aanklager verwijt raadslieden het wetboek te gebruiken als een `trukendoos' terwijl verdedigers de staat voor de voeten werpen dat hij met de veelvuldige wetswijzigingen de doelpalen tijdens de wedstrijd probeert te verzetten. Dit is meer dan een juristenstrijd. Het Wetboek van strafvordering gaat over de eerlijkheid van de strafrechtspleging. En dat is iets waar iedere burger mee in aanraking kan komen.

Het project heeft een aantal interessante moderniseringsvoorstellen opgeleverd, zoals het op video vastleggen van (grote) politieverhoren. Maar er zijn ook riskante proposities, zoals het terugdringen van de rechterlijke controle tijdens het voorbereidend onderzoek, dat geheel in handen van de officier van justitie moet komen. De `magistratelijke' rol van het openbaar ministerie staat tegenwoordig echter juist onder druk. Discutabel is ook de nieuwe regeling van de voorlopige hechtenis, een thema dat van oudsher als een lakmoestest voor de strafvordering fungeert. Tilburg en Groningen willen de mogelijkheden voor toepassing van dit ingrijpende dwangmiddel drastisch verruimen. Toch houden de onderzoekers vol dat zij het voorarrest juist terug willen dringen.

De moderne tijd vraagt vooral om `resultaten' van justitie. De manier waarop deze worden behaald lijkt er vaak minder om te doen. De parlementaire enquête bijzondere opsporingsmethoden van enkele jaren geleden heeft laten zien hoe riskant dat is. Van de ,,sense of urgency'' die Van Traa cum suis hebben getracht over te dragen, is inmiddels weinig meer te merken. De ophelderingspercentages staan weer bovenaan de agenda. Daar zijn goede redenen voor. Maar een kritische bezinning vergt méér.