Deze dingen zijn altijd

De Italiaanse schrijver Roberto Calasso gaf aan zijn boek De bruiloft van Cadmus en Harmonia waarin hij de Griekse godenverhalen herneemt en interpreteert, het volgende motto van Saloustios mee: ,,Deze dingen zijn nooit gebeurd, maar ze zijn altijd''. Calasso heeft de opvatting dat de mythologie een taal is waarin dingen uitgedrukt worden die op een andere manier niet te zeggen zijn verlangens, angsten, vermoedens, troost, raadsels, tegenstrijdigheden. Ze geven geen pasklare antwoorden, en dat moet ook niet. Het maakt nu juist hun rijkdom uit dat ze steeds weer, op allerlei manieren, gelezen kunnen worden, dat ze al zo vaak hernomen zijn en uit allerlei varianten bestaan.

Het is niet zo'n slecht idee om ook de bijbelse verhalen als een soort mythologie op te vatten: wel waar, maar niet echt gebeurd, betekenisvol, maar niet iets om letterlijk te nemen. Voor de verhalen uit het Oude Testament is dat eenvoudiger dan voor die uit het Nieuwe. Dat maakt meer aanspraak op `echt gebeurd', al is het maar omdat het over recentere, historisch makkelijker te dateren gebeurtenissen gaat. Al klopt er dan van de datering in de evangeliën niet veel en al zijn ze overduidelijk in een heel andere tijd, waarin heel andere dingen gezegd en geloofd konden worden, ontstaan.

Hoe moeilijk het desondanks is, zelfs voor mensen die weten dat het historisch bijbelonderzoek niet zo heel veel feiten heeft opgeleverd, bleek nog maar weer uit Eduard Bomhoffs boze reactie op de opvatting van dominee Carel ter Linden dat we het opstandingsverhaal vooral als een metafoor moeten lezen. Bomhoff viel over dat `moeten', hij moest niets, hij wenste zich het recht voor te behouden om Christus' opstanding uit de dood letterlijk te nemen en als een waar gebeurd wonder te beschouwen. Toen kwam hoogleraar filosofie Herman Philipse en die ging begin vorige maand uitleggen dat wonderen erg onwaarschijnlijk waren. Het was een tamelijk absurde discussie, maar hij ging maar door, en laatst waren de twee heren op de radio te horen waar ze live met elkaar in gevecht gingen.

Ze snapten beiden hetzelfde niet, namelijk precies dat wat Saloustios zegt. Het gaat niet om historisch waar, het gaat niet om feiten, die zullen we nooit kunnen achterhalen. Er staan dingen in het Nieuwe Testament die kunnen kloppen en er staan dingen in die niet kunnen kloppen. Er staat vooral veel in waarvoor geen enkele historische ondersteuning te vinden is, en wat je dus kunt geloven of niet. Het heeft geen zin dat Philipse almaar zegt dat de opstanding niet waar kan zijn, dat is eigenlijk alleen maar tamelijk kinderachtig. Wie praat over Gods heilsplan met de wereld, zoals Bomhoff doet, heeft weinig aan de kansberekeningen van Philipse want die zijn helemaal niet van toepassing. Philipse bestond het zelfs om op de radio te gaan vertellen hoe God de opstanding zijns inziens had moeten aanpakken: ,,Als Pasen inderdaad Gods plan was, waarom heeft hij het dan niet een beetje spectaculairder gemaakt?'' Hij vond dat Christus veel beter midden in Rome op had kunnen staan, met veel mensen erbij, dan was het wonder tenminste duidelijk en zeker geweest.

Oei, wat was het een malle discussie. Bomhoff beriep zich almaar op de traditionele christelijke opvattingen, op alle mensen uit het verleden die ook in de wederopstanding hadden geloofd en die zich toch niet allemaal konden vergissen, en op Augustinus en andere kerkvaders en filosofen die ook letterlijk geloofd hadden, en waarom zou wat goed was voor Augustinus niet goed genoeg zijn voor hem?

Natuurlijk verkondigt de kerk dat het allemaal echt waar is en natuurlijk heeft zij dat al eeuwen zo gedaan. De kerk is ook niet gek. Zoals Gerard Reve eens schreef: ,,Men kan niet van deur tot deur iets colporteren en zeggen ik kom u iets vertellen dat eigenlijk niet waar, maar op een bepaalde manier juist héél erg waar is. Want wat zegt dan degene die de deur opendoet? Hij zegt: `Man donder op en laat meteen je haar maar eens knippen.' Zo is het toch?'' Zo is het precies. En Reve schreef ook nog: ,,het ligt aan het geestelijk niveau van de zielen of die haar [dat wil zeggen de leer van de kerk] letterlijk, allegorisch dan wel als een ondoorgrondelijk raadsel wensen op te vatten.'' Bomhoff en Philipse nemen het letterlijk, maar met verschillend resultaat. Carel ter Linden gelukkig niet.

Overigens zorgt die moderne metaforische opvatting wel voor problemen. Want verhalen kan men best op die manier interpreteren en dan zijn ze heel rijk. Maar metaforisch bidden wordt al veel moeilijker. Tijdens de liturgie wordt er gesproken en gedaan alsof alles letterlijk waar is. Dat wil niet zeggen: begrijpelijk. Het gaat om een mysterie, en daar wordt in een bepaalde taal over gesproken. Tijdens de liturgie kan men zeggen: `Heer ontferm U', zonder buiten de kerk te geloven dat een persoonlijke God zich over ons buigt en voor ons zorgt. Maar op het moment dat die woorden uitgesproken worden drukken ze een oprecht verlangen uit. Misschien zelfs wel de, tijdelijke, ervaring dat die ontferming een mogelijkheid is. Daar wringt iets.

In dat opzicht is Bomhoff consequenter, hij gelooft in een persoonlijke God. Dus bij hem wringt er niets, behalve dan dat het eigenlijk onmogelijk is te geloven dat er een God bestaat die zich met onze zaken bemoeit of in ons leven ingrijpt. Dat zou wonder op wonder betekenen. Er kan geen goddelijke orde zijn en tegelijkertijd voortdurende ontferming. Een orde is rücksichtlos.

Dat de bijbel goddelijke bijstand belooft, is een vorm van troost en bezwering, wat niet wil zeggen dat mensen daar geen steun aan kunnen ontlenen. De bijbelverhalen gaan uiteindelijk over hoe te leven, met welke houding in het leven te staan, daarin kunnen ze richtinggevend zijn. Dominee Ter Linden gaf een prachtige uitleg van het paasverhaal, en wie met Pasen bij hem in de kerk zat heeft toen en daar wellicht in de mogelijkheid van genade en wederopstanding geloofd. Of het paaswonder `echt' gebeurd is of niet, doet er dan niet toe. Maar daarover denken Philipse en Bomhoff, in eensgezinde naïveteit, heel anders.