Burgers kunnen conflict in M-Oosten wellicht vlot trekken

Gesprekken op hoog diplomatiek niveau teneinde het Israëlisch/Palestijns conflict te bezweren, hebben zelden (langdurig) succes gehad. Toch wordt nog steeds naar het middel van de diplomatie gegrepen. Ten onrechte. Het wordt tijd burgers direct te betrekken bij pogingen tot een staakt-het-vuren te komen, meent Andrew Strauss.

Albert Einstein zei al dat het pure waanzin is om telkens weer hetzelfde te proberen in de hoop dat de uitkomst verandert. Het initiatief van de commissie-Mitchell is de laatste, door de politieke top gesteunde, poging om een eind te maken aan de gevechten tussen Israëliërs Palestijnen. Nu ook die poging op niets dreigt uit te lopen, is het misschien geen gek idee als de mensen die een uitweg uit de problemen zoeken, Einsteins uitspraak ter harte zouden nemen en eens iets anders proberen.

Bij een normaal staakt-het-vuren beveelt een generaal zijn troepen de strijd te staken, en wie dat niet doet komt voor de krijgsraad. Maar op dit moment is er in het Midden-Oosten, en met name aan de kant van de Palestijnen, geen sprake van de noodzakelijke militaire hiërarchie. Het gaat daar eerder om een oorlog tussen twee volkeren dan tussen twee legers. Een staakt-het-vuren kan dan ook alleen effectief zijn als beide gemeenschappen geloven dat ze er iets aan hebben bijgedragen. Zou het dan geen goed idee zijn om burgers te betrekken bij de totstandkoming van een staakt-het-vuren?

Marktonderzoekers, die gebruik maken van focusgroepen, weten dat de resultaten van een representatieve steekproef doorgaans een bijzonder goede benadering vormen voor wat algemeen wordt gedacht.

De juryrechtspraak is op ongeveer dezelfde vooronderstelling gebaseerd. Dit wetende zouden de leiders van beide partijen kunnen trachten een vijf- tot vijftiental burgercomités op te richten, bestaande uit doorsnee-Palestijnen en -Israëliërs die volgens van te voren afgesproken criteria worden gekozen. Deze groepjes, onder leiding van een moderator, zouden vervolgens de opdracht moeten krijgen praktische voorwaarden voor een staakt-het-vuren op te stellen.

De besprekingen van de comités kunnen op televisie worden uitgezonden of in andere media worden verslagen, zodat zowel de Israëlische als de Palestijnse gemeenschap bij het proces betrokken raken – een vorm van reality-tv die echt nut heeft.

Er zal, parallel aan de besprekingen van de burgercomités, een felle maatschappelijke discussie oplaaien. Als beide partijen klaar zijn met elkaar uitschelden, kunnen ze met hulp van de moderatoren hopelijk vooruitgang boeken. Als dat zou lukken en als de comités met dezelfde voorwaarden voor een staatkt-het-vuren komen, dan is er weer werk aan de winkel voor de Israëlische en Palestijnse autoriteiten.

Die hoeven de voorstellen natuurlijk niet te accepteren. Doen zij dat echter wel, dat is dat zondermeer bevorderlijk voor het succes ervan. Alleen al de betrokkenheid, op dit niveau, van leden uit de Israëlische en de Palestijnse samenleving zou de sfeer van afwijzing over en weer kunnen doorbreken. Het feit namelijk dat voorstellen voor een staakt-het-vuren uit de samenleving zelf voortkomen, biedt de politiek mogelijkheden om pijnlijke concessies te doen. En bovendien wordt het voor extremisten moeilijker om afspraken te ondermijnen.

De internationale gemeenschap heeft al ervaring met deze aanpak. Organisaties als het Karuna Center for Peacebuilding van Paula Green in Massachusetts hebben met succes groepen burgers uit in oorlog verkerende gemeenschappen in de wereld de mogelijkheid geboden voor overleg. De aanpak is echter nog nooit officieel beproefd, en de vrucht van het werk kwam tot nu toe vooral ten goede aan de zielenrust van de deelnemende burgers.

Toch zou deze benadering heel goed kunnen worden gebruikt om het persoonlijke en het diplomatieke met elkaar te verbinden en op het niveau van de afzonderlijke burger een begin te maken met het genezingsproces dat nodig is voor echte nationale verzoening. De benadering kan, indien succesvol, wellicht worden aangepast om de onderhandelingen weer op gang te brengen.

In een wereld die steeds verder globaliseert is het de kunst wegen te vinden om burgers rechtstreeks te laten deelnemen aan zaken die voorheen tot het domein van diplomaten werden gerekend. Het conflict tussen Israëliërs en Palestijnen, dat in wezen een conflict tussen twee volken is, biedt een perfecte mogelijkheid om een begin te maken met de democratisering van de diplomatie.

Succes is echter niet gegarandeerd. Het conflict is een van de moeilijkst oplosbare ter wereld en de kloof tussen de twee partijen lijkt dieper dan ooit. Maar een benadering waarbij de burgers worden betrokken, biedt beslist meer kans van slagen dan een blinde herhaling van een sleetse aanpak in de ijdele hoop dat de uitkomst ditmaal anders zal zijn.

Andrew Strauss is hoogleraar Internationaal Recht aan de Widener University School of Law.

©NYTS