Vederlicht

Mei 1952. Grote avond van de Gooise balletschool. De zaal zit vol met familie van de optredenden. Geroezemoes. Het licht is gedempt, de mannen roken sigaretten. Hun rook drijft omhoog naar het gepleisterde plafond. Er heerst een vreugdevolle, afwachtende stemming.

Het doek gaat op, het dansen begint. Eerst is er een rondedans van meisjes in witte tutu's. Dan volgt een man in een zwart pak die een dame met een sleep meevoert in edele patronen.

Vele nummers later, vlak voor de pauze, een zigeunerdans. Rode en groene spotlights op meisjes met zwaar geschminkte gezichten. Mijn oudste zuster is een van de boerenvrouwen. Ze wiegt heen en weer terwijl ze maaibewegingen maakt. In de verre uithoek zie ik het ranke lichaam van haar vriendin Frida Geiger.

En dan... de muziek zwelt aan... verschijnt de zigeunerkoningin. Ruisende rokken heeft ze. De mannen zwermen om haar heen en in nog wijdere cirkels draaien de boerinnen eerbiedig hun ronde.

Ze draagt een jurk van tule die wijd uitstaat. Ze wordt door drie van de mannen opgeheven en omhoog gegooid. Licht als een veertje is ze en als ze weer beneden is gekomen, maakt ze aan één stuk door razende pirouettes. Door de werveling staat haar jurk bijna recht omhoog. Sonia Barodzi heet ze, een naam die klinkt als een klok. Voor eeuwig staat ze in mijn geheugen gegrift.

Veertig jaar later, een feestje van de sociale dienst. Mannen en vrouwen hangen aan de bar of doen zich tegoed aan stukken geroosterd vlees. Temidden van een groepje feestvierders staat een gigantische vrouw. Haar vlezige gezicht is bol en grof, haar lichaam opgeblazen door de drank.

,,Dat is Sonia'', zegt mijn vriendin.

,,Sonia wie?''

,,Sonia Barodzi.''

Ik ben nog naar haar toegegaan in de hoop dat ik me vergiste, maar ze was het.