UNMEE gaf toch humanitaire hulp

De Nederlandse mariniers in Eritrea hebben wel degelijk humanitaire hulp verleend aan de lokale bevolking, ondanks de herhaalde verzekering vooraf van minister F. de Grave (Defensie) dat de troepen zich zouden beperken tot het uitvoeren van militaire taken.

Dat zegt de scheidend commandant van het Korps Mariniers, generaal-majoor Egbert Klop vandaag in deze krant. De Nederlandse mariniers leverden van december vorig jaar tot juni dit jaar een bijdrage aan UNMEE, de VN-vredesmacht in Ethiopië en Eritrea.

,,We hebben scholen gebouwd, bruggetjes geslagen en waterleidingen gelegd'', aldus Klop. ,,We zijn, zonder meteen alle vluchtelingen te gaan behandelen, de medische zorg wat ruimer gaan interpreteren.'' Voorafgaand aan de missie stelde De Grave nadrukkelijk dat de UNMEE-troepen ,,geen humanitaire opdracht (...) zoals het verstrekken van medische hulp aan de bevolking'' hadden. Hiermee wilde de minster de militairen vrijwaren van verantwoordelijkheid voor humanitaire noodsituaties, zoals tijdens de val van Srebrenica in 1995. Achteraf kreeg Dutchbat toen het verwijt niet genoeg te hebben gedaan voor de burgerbevolking.

Volgens generaal Klop is het de ,,Srebrenica-angst'' van de Tweede Kamer geweest die De Grave heeft doen besluiten de UNMEE-missie te ,,versmallen''. De generaal noemt dit een ,,kardinale denkfout'': eerdere vredesmissies hebben juist bewezen dat humanitaire hulp ,,essentieel'' is voor het winnen van het vertrouwen van de lokale bevolking. Klop zegt dat de mariniers zich aanvankelijk strikt aan het hun gestelde mandaat hebben gehouden. Daarna is – in overleg met het ministerie – besloten rond de `compounds' van de mariniers hulpprojecten op te zetten. ,,Of dit nou binnen het mandaat viel, vind ik niet zo interessant. Het is uitstekend dat we het gedaan hebben.''

interview klop: pagina 25