Uit de as herrezen

Na tien jaar ondergronds onderwijs is de Universiteit van Pristina in slechte staat. Om dat te veranderen zijn nu 500 studenten in Kosovo bijeen voor een internationale zomeruniversiteit.

`Het is fantastisch als je ziet hoe blij een jonge docent is met een boek dat wij voor hem in het Westen hebben geregeld.' Yannick du Pont komt zakelijk over, maar in hem schuilt een bevlogen jongeman. Hij is student aan de Universiteit van Amsterdam en oprichter van de Academic Training Association (ATA), een groep studenten en afgestudeerden van de UvA die zich het lot van de universiteiten in het voormalige Joegoslavië heeft aangetrokken.

Du Pont en zijn collega's hebben met hun zomeruniversiteiten al veel succes geboekt in de Bosnische stad Tuzla. Dit jaar is er voor het eerst een ATA-zomerschool in Kosovo. De Universiteit van Pristina was niet de meest vooraanstaande universiteit van het voormalige Joegoslavië, maar heeft wel een unieke recente geschiedenis.

Toen de Servische president Slobodan Milosevic in 1989 de autonomie van Kosovo ophief, werden de Albanese Kosovaren uit het openbare leven en dus ook van de universiteit verdreven. In de jaren die volgden bouwden de Albanezen een illegale, of zoals ze zelf zeggen, een `parallelle' overheidsstructuur op met aan het hoofd de schaduw-president Rugova. Ook het onderwijs werd `parallel' voortgezet in private woningen. Colleges werden gegeven met dertig studenten in kamers van twintig vierkante meter, studieboeken werden verborgen in kelders om te voorkomen dat de Servische politie ze in beslag zou nemen. Studenten en professors leefden in voortdurende angst om gearresteerd of mishandeld te worden.

De huidige rector, dr. Zejnel Kelmendi, onderwees in die jaren aan de medische faculteit. Hij kan zich de ontberingen nog goed herinneren. ``Jaren achtereen konden we de studenten alleen onderwijzen in de theoretische vraagstukken van hun studie. Er was geen mogelijkheid experimenten of veldwerk te verrichten. We stuurden onze studenten daarom naar Albanië en Turkije om practica te volgen. We probeerden met veel discipline de studenten bij de les te houden. Ze vroegen zich wel eens af wie hun echte vijanden waren: de Serviërs of de professoren.''

Nadat in 1999 de Verenigde Naties Kosovo waren binnengetrokken, namen de 20.000 Albanese studenten en hun professoren de universiteitsgebouwen weer in bezit en werden de Serviërs verdreven. De erfenis van de jaren negentig blijft tot vandaag echter voelbaar: beschadigde gebouwen, geplunderde bibliotheken en academici die door jaren van isolement verouderde kennis bezitten. Om het niveau van het onderwijs weer op een acceptabel peil te brengen richt de universiteit zich op het Westen. ``We moeten wel, de regionale samenwerking uit het verleden is weinig efficiënt gebleken'', zegt de rector eufemistisch.

TIJDELIJK

Net als de rest van Kosovo, staat de universiteit onder het bestuur van UNMIK, de missie van de Verenigde Naties in Kosovo. Dit is van tijdelijke aard, want na de verkiezingen in november van dit jaar moeten de Kosovaren het bestuur van hun land geleidelijk overnemen. ``We werken nu al samen met de Kosovaren, maar wij hebben het geld, dus wij nemen de uiteindelijke beslissing'', aldus Jens Vang, de tweede man op het UNMIK-kantoor van de universiteit.

UNMIK streeft voor de universiteit twee doelen na: hervormingen naar West-Europees voorbeeld en het verhogen van de onderwijskwaliteit. Vang: ``Dat betekent dat de Bologna-verklaring, die het onderwijs in heel Europa moet harmoniseren, ook hier wordt ingevoerd. Vanaf september moet het onderwijs in Pristina in de Bachelor-Masterstructuur plaatsvinden. De kwaliteit van het onderwijs proberen we te verbeteren door westerse studiemethoden in te voeren. We willen dat docenten zich ten opzichte van de studenten actiever opstellen. De overgrote meerderheid van de docenten hier steunt onze voorstellen.''

Op het streven van UNMIK wordt in de maanden juli en augustus goed ingespeeld door de zomeruniversiteit. Het initiatief daarvoor is genomen door ATA. Het is echter niet de bedoeling dat de zomeruniversiteit uitsluitend door Nederlanders wordt georganiseerd, licht Du Pont toe.

``De Universiteit van Pristina doet het voorstel voor de vakken die tijdens de zomeruniversiteit worden gegeven. Daarbij wordt vooral gekeken naar de behoeften die er aan de universiteit en bij de studenten bestaan. Wij zoeken buitenlandse docenten die de cursussen kunnen geven en wij schrijven de wensen van de universiteit om tot formele voorstellen aan de donors, in dit geval het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Soros Foundation. Zij betalen in totaal ruim zevenhonderdduizend gulden. Nu zitten wij nog tussen de donors en de universiteit, maar het is de bedoeling dat de mensen in Pristina zo snel mogelijk, maar op een verantwoorde wijze, het project volledig overnemen.''

Een belangrijk probleem is het gebrek aan goed onderwijzend personeel in Kosovo. Du Pont: ``Een hoogleraar verdient 300 Duitse Mark per maand. Wanneer ze, bijvoorbeeld als tolk, bij een internationale organisatie gaan werken, kunnen ze veel meer verdienen. Velen verkiezen dus een baan daar. We hopen dat op te lossen door mensen terug te kopen, of ze interessante kansen te bieden, bijvoorbeeld beurzen voor studie in het buitenland.''

Het aantal aanmeldingen voor de zomeruniversiteit in Pristina bewijst dat ATA een succesformule in handen heeft. In Pristina was plaats voor 500 studenten, maar er schreven zich ruim zeven keer zoveel mensen in uit de hele regio. De gelukkigen die werden toegelaten konden kiezen uit een dertigtal cursussen variërend van elektrotechniek tot sociolinguïstiek en international business. De colleges worden op vrijwillige basis verzorgd door docenten uit Europa, Noord-Amerika en Australië. De coördinatie van de vakken is in handen van Kosovaarse docenten. Op die manier komen ook zij in contact met hun westerse collega's. De studenten van de zomeruniversiteit komen voor het grootste deel uit de Balkanlanden, al zijn er ook deelnemers uit Canada, Afrika en West-Europa. Geïnteresseerden uit Servië werd uit veiligheidsoverwegingen afgeraden te komen. Dat laatste betreurt ATA ten zeerste, want de hoop was om via de universiteit multi-etniciteit te promoten.

UvA-docent E. Dirksen heeft in zijn colleges over de economische ontwikkelingen in Oost-Europa voornamelijk Kosovaarse studenten. ``Het is een curieuze ervaring. De studenten zijn erg leergierig, maar de methode die zij gewend zijn, verschilt erg van de onze. De afstand tussen docent en student is veel groter dan in het Westen. Hier is men gewend aan `frontaal' onderwijs: de docent vertelt zijn verhaal, de studenten schrijven zijn woorden letterlijk op. Daarnaast bestaat in heel Oost-Europa een traditie om zeer concreet onderwijs te geven. Wij in het Westen werken veel abstracter en meer met concepten. Bij ons is het de bedoeling dat studenten en docenten met elkaar in discussie treden. Het is moeilijk de studenten hier te verleiden tot het stellen van vragen, maar ik houd moed, ik heb nog een week.''

De studenten bevestigen het beeld van de Amsterdamse docent. Arlind Lumi studeert Engels. Hij is enthousiast over de westerse methode. ``Onze Canadese docente is de beste die we ooit hebben gehad. Ze laat ons hard werken, en geeft veel opdrachten. Normaal gesproken hebben we slechts één keer per jaar een groot examen, maar nu moeten we elke les een opdracht inleveren. De buitenlandse docenten zijn veel meer geïnteresseerd in ons dan onze eigen docenten. Die denken vooral aan hun eigen positie.'' In tegenstelling tot de UNMIK-bestuurder Vang denkt Lumi dat lang niet alle docenten voor de hervormingen zijn. ``De westerse methode betekent dat ook de docenten veel harder moet werken dan bij ons normaal is. Ik denk dat vooral de oudere garde dat niet zo ziet zitten.''

Dat de steun voor hervormingen lager ligt dan UNMIK soms wil doen geloven, onderschrijft ook ATA-medewerkster Beate Elsässer die al sinds januari in Pristina verblijft. ``Die oude professors zeggen wel dat ze de hervormingen steunen, maar waarom gebeurt er in de praktijk dan zo weinig?'' Elsässer noemt de rechtenfaculteit als voorbeeld. ``Een buitenlandse organisatie, het Kosovo Law Center, schreef een hervormingsvoorstel voor de opleiding rechten. De universiteit ging ermee akkoord, maar de uitvoering komt nauwelijks van de grond, omdat er een voortdurend gevecht is met de faculteit.''

NIEUWE FACULTEIT

Uiteindelijk zijn de zomeruniversiteit en al de hervormingen bedoeld om de universiteit beter te laten aansluiten bij de behoeften in de maatschappij. Om die reden is er een nieuwe faculteit voor Sociale Wetenschappen opgericht. Ook daar was Elsässer als voorzitter van een internationale werkgroep bij betrokken.

``In het Westen werken sociaal-wetenschappers vooral in de middenlagen van het bestuur en de journalistiek. Dat zijn precies de sectoren die in Kosovo nog flink onderontwikkeld zijn. De nieuwe studies sociologie, politicologie en bestuurskunde moeten ervoor zorgen dat een nieuwe bestuurselite kan ontstaan.''

De nieuwe faculteit is in een recordtempo opgezet. Elsässer kreeg zes maanden de tijd om een curriculum te ontwerpen en docenten aan te trekken, maar dat laatste is nog niet gelukt. ``Het moest zo snel omdat de internationale organisaties nu nog de dienst uitmaken in Kosovo. Wat er na de verkiezingen later dit jaar gebeurt, is nog onduidelijk. De interesse onder studenten voor de nieuwe opleiding is enorm, maar de organisatie was erg moeizaam. We hebben nog steeds niet alles rond. Of de nieuwe studie in september van start kan gaan, zien we dan wel. Dat klinkt bizar, maar ad hoc werken en improviseren is noodzakelijk in een land als Kosovo.''