Twee Schoonheden

Op de hoek van de Schilderskade stond voor een school een kastanje, die zo mooi was dat het me is gebeurd dat een tram zonder mij wegreed omdat ik de boom stond te bewonderen. Duizenden leerlingen hebben uit hun lokalen naar die kastanje gekeken. Toen werd de school een appartementengebouw met een ondergrondse garage en de boom werd vermoord.

In de zuidwesthoek van het Luxemburg-park in Parijs laat de nationale boomkwekersunie zien wat ze kunnen. Er is daar een boom die bij elke taksplitsing zo wordt geleid en gemarteld dat er nu aan de bovenkant 32 boomvoortzettingen te zien zijn.

Ook heel mooi, maar anders dan mijn kastanje. Noem de schoonheid van de kastanje `natuurlijk' en die van de verwrongen 32'er `onnatuurlijk'. Ik moest aan dat vanzelfsprekende onderscheid denken bij het inlijsten van alle woorden die Nederlandse woorden blijven als je de eerste letter over het hele woord laat springen tot hij achteraan staat. Dus je hebt het woord twee en je krijgt het woord weet. Zoiets is een gelukstreffer. Ik ga niet alle 338 duo's opnoemen, maar alleen de exemplaren waarvan het rangnummer door 20 deelbaar is. Eerst acht die de natuurlijke schoonheid vertonen:

60. duchten

80. evers

100. lui

120. remme

180. sonnet

200. stangen

220. teel

280. tree

Over zulke woorden valt verder niets te vertellen. Ze zijn er. Je kijkt ernaar en je wordt er blij van. Daarna vergeet je ze weer. Maar bij het zoeken naar die woorden kom je op het spoor van onnatuurlijke gevallen. Ik zal daarvan weer acht voorbeelden geven:

20. domkoppen

40. doppotten

140. sjekkie

160. slotnummer

240. tinverf

260. toverknoop

300. troffel

320. trijfel

Hoewel dit allemaal woorden zijn die in Van Dale staan, is er wellicht een bij dat u niet kent. Ik ga u ook niet vertellen wat doppotten zijn. Bij deze acht woorden, er zijn er meer dan honderd, is een systematiek te herkennen. Het simpelst is dat bij de meervouden van lotnummer en jekkie. Hier hoef je alleen een woord te verzinnen dat met een s begint (sluier, steen), maar dat zonder die s ook een woord is. Van dat woord maak je het meervoud, desnoods na een verkleining: steentje - teentjes. Er bestaan trouwens ook, minder, gevallen waar juist een meervoud op een n doet wat wij willen, bij woorden als naaide, naderde, nebbe, nette, node, nijvere (aaiden ... ijveren).

De systematiek wordt interessanter bij de woorden die met een d of een t beginnen. De letter d kan achter de onbepaalde wijs van een werkwoord gezet worden en dan krijg je het tegenwoordig deelwoord: oordruppelend, onderkoppend, raaiend, rentenierend, ribbelend, uitend. Dat zijn toevallig woorden die met de d ervoor ook bestaan (het woord drentenieren is door een handige woordsmit in Drenthe bedacht om renteniers naar Drenthe te krijgen). Interessant zijn de woorden die beginnen met door, donder en dom, want daarin zitten achter de d de woorden oor, onder en om verscholen die vóór veel werkwoorden kunnen staan. U kent het woord oorsuizen. U moet in uw eigen geweten kijken of u het deelwoord oorsuizend goedkeurt. Als u het goedkeurt, dan gaat u ook oorfluitend, oorkruipend, oormerkend, oorbloedend, oorblazend afleiden van doorfluiten, doorkruipen, doormerken, doorbloeden, doorblazen. U vraagt u misschien af wat doormerken is. Die zorg is onnodig. Voor elk werkwoord kan dóór komen te staan, met de betekenis `doorgaan met'. Dóórmerken is dus wat een boer doet die al een paar koeien heeft geoormerkt, en die dat merkwerk voortzet.

In plaats van naar individuele woorden te zoeken, loont het dus om te zoeken naar woordjes die, als je de d eraf hakt, een populair voorzetje bij een werkwoord worden. Dom levert om(koppen), dop levert op(potten), door levert oorverdovend), donder geeft onder(jagend). Dover levert over, maar er zijn weinig werkwoorden waar je zomaar dover voor kunt zetten.

Bij de vier woorden die met een t beginnen is iets soortgelijks aan de hand. De letter t kan achter de stam van een werkwoorden gezet worden, dus je zoekt naar woorden als trommel en trooster die ons rommelt en roostert schenken. Maar ook hier is meer winst te behalen via woordjes als tin, top en tover, die aanleiding geven tot de zeer talrijke werkwoorden waar in, op of over voor staat. Tinwerk, tinbagger, tinsoldeer, maar ook tinschreeuw, tinvijl, tinschuim leveren de derde persoonsvormen inwerkt, inbaggert, insoldeert, inschreeuwt, invijlt, inschuimt. Zelfs de woorden tinmijn, tinne, tink, tinerts geven, maar zonder de logica van werkwoord-wordt-werkwoord, de woorden inmijnt, ínnet, inkt, inertst, die een mengsel van natuurlijke en kunstmatige schoonheid hebben.

Volslagen tovenarij vind ik dat toverboek, toverblik, toverknoop, toverkus, toverschijn, toverslaap, toverspel, tovervis, toverwerk, topdroog, en bovenal torenspits (en nu noem ik alleen de woorden die in het woordenboek staan) bij de totaal-sprong over het hele woord veranderen in de keurige woorden overboekt, overblikt, overknoopt, overkust, overschijnt, overslaapt, overspelt, overvist, overwerkt, opdroogt, en vooral: orenspitst. Zelfs tovergaarde lukt als we er de gij-vorm overgaardet bij nemen, zoals gij tellet, gij telet, gij teret ons spiegelwoorden opleverde.

De natuurlijke schoonheid van amandel-Mandela, oma-Mao, sneu-neus, snor-nors is verheugend, maar je hebt er niets voor hoeven te doen. Die woorden staan er als woudreuzen bij, onbewogen, gratis, eeuwig (zolang het duurt). De kunstmatige schoonheid van tuitmond, tuitplooi, tuitzak naar uitmondt, uitplooit, uitzakt is mij liever, maar dat is omdat ik ze zelf smeedde.

Nu twee vragen die u moet beantwoorden alvorens verder te mogen lezen:

1. Zijn er ook woorden waar je behalve de sprong met de eerste letter naar achteren óók een sprong van de laatste letter naar voren kan doen, zodat ook dat weer een Nederlands woord oplevert?

2. Zijn er ook woorden waar je twee keer achtereen de voorste letter naar de laatste plaats kunt laten springen en er twee keer een goed woord ontstaat?

Heeft u nagedacht? Dan weet u dat de twee vragen hetzelfde zijn. Als je het antwoord hebt op de ene vraag, dan heb je ook het antwoord op de andere.

Bezie het woord stengel. Dat behoort tot de klasse woorden van het type spinmachine en skiloper; de s kan van de voorste plaats naar de achterste springen en je ziet pinmachines en kilopers. Zo geeft stengel je tengels in handen. De t van tengels kan op zijn beurt ook weer een sprong naar achteren maken om de overtreffende trap Engelst te produceren (`Heath is Engelser dan Blair, maar Churchill was het Engelst').

Strip wordt na sprong van de s: trips. Trips wordt na sprong van de t: ripst. Het woordenboek kent wel ripsfluweel en ripskarton maar heeft er niet aan gedacht dat de arbeiders in de karton- of fluweelfabriek bij thuiskomst zeggen: ``heerlijk geripst vandaag''. Strip - trips - ripst is dus een goed voorbeeld van dubbele totaalsprong, evenals stop - tops - opst, en stram - trams - ramst. Vraag 1 is daarmee ook beantwoord, want we kunnen natuurlijk het middelste woord, tengels, trips, tops, trams nemen waarvan de eerste letter naar achteren kan springen en de laatste letter naar voren.

De woorden stengel, strip, stop, stram zijn saai. Maar er is gelukkig een woord dat de natuurlijke charme van een enorme boom op een stedelijk kruispunt bezit. Ik zal het u onthullen en misschien bedenkt u een mooiere.

In het ziekenhuis bewaart men stoma's in een la. Verpleegsters hebben het over de stomaatjesla. In Wageningen klutst men de genen van tomaten tot een vierkante pitloze tomaat die altijd rijp, gezond en goedkoop is. Ze noemen die genetische bewerking de tomaten-las, en als je er erg intiem mee bezig bent, mag je ook zeggen tomaatjeslas. Nu hoeven we nog maar één stapje te doen, en die is simpel, want welke grootmoeder heeft niet eens een zwaar karwei? Een omaatjeslast, inderdaad. Stomaatjesla, tomaatjeslas, omaatjeslast, dat is een drietal, dat de schoonheid van drie beuken op een groot weiland benadert.