Taxidriver

Jongens van eenvoudige komaf hebben mijn hart. Daarom ben ik zo gek op wielrenners. Er hangt meer stal dan wereld aan hun kont. Nee, niet aan Michael Boogerd en Erik Dekker, de gedecoreerde worsten van Rabobank. Geert Verheyen en Maarten den Bakker zijn mijn jongens, en vroeger Patrick Tolhoek en Gerrit Solleveld: knechten.

Deze week beleefde ik een hoogdag. Op een parkeerplaats vraagt een man: ,,Ken je me nog?'' Hij heeft ingevallen wangen en toch een vrolijk gezicht. Knokige jukbeenderen. Kuifjeshaar. Handen als kolenschoppen. En over dat alles heen de roestige glans van de wielrenner. Dat hij op de fiets heeft gezeten, wist ik meteen, naar zijn naam moet ik raden.

Michel Cornelisse.

Hij neemt me mee in zijn taxi. ,,Wanneer hebben we elkaar nou voor het eerst gezien? Precies, vijftien jaar geleden. Ik reed nog voor Jan Raas. We logeerden in hetzelfde achterafhotelletje, ergens in het Baskenland. Ik als renner, jij als journalist. Ik weet nog dat ik toen dacht: renners zijn het gewend, maar dat hooggeplaatste journalisten zich mee laten verkrotten in hun slaap, dat had ik niet verwacht.''

De taximeter gaat af. We rijden dolend door Amsterdam. Michel Cornelisse heeft veel te vertellen. Over vroeger en nu. ,,Anderhalf jaar geleden ben ik met fietsen gestopt. Op mijn 33ste. De laatste jaren reed ik voor een Belgische ploeg. Kermiskoersen. Ik werd niet meer betaald. Ik heb een vrouw en een kind, dan moet de kachel branden. Een vriend zei: doe een taxi. Ik heb me diep in de schuld gestort. Heel diep. Het loopt lekker nu, maar ik mis het peloton. Zij weten het zelf niet altijd, maar wielrenners hebben het mooiste leven.''

De koning van de kermiskoersen werd hij genoemd. In België weten ze maar al te goed wie Michel Cornelisse is, in Amsterdam niet. Een lepe sprinter. De jump was zijn wapen. Een lefgozer met een klein hartje. Beslist geen smeerlap, maar hij liet zich ook niet wegkwakken. Patrick Lefevere, nu van Domo-Farm Frites, was zeer gecharmeerd van Cornelisse. Maar iedere molshoop was er voor Michel te veel aan. Nu zegt hij: ,,Als ik Epo had gebruikt, had ik semi-klassiekers gewonnen. De Omloop Het Volk, Gent-Wevelgem, die wedstrijden waren me op het lijf geschreven. Maar ik waagde me niet aan het spul. Het was ook te duur. Ik fietste voor een paar ruggen in de maand.''

En er was zijn moeder.

,,Zij was bang dat mij iets zou overkomen. Een hersenbloeding, een infarct, een dodelijke val, blaren in de mond, in die tijd werd alles toegeschreven aan Epo. Mijn moeder heeft een zwaar leven gehad. Ik heb haar weinig terug kunnen geven. Ruud Krol is ook door haar opgevoed. Ze wacht nog steeds op een bedankje, op een bloemetje, op een ticket voor een wedstrijd van het Nederlands elftal. Krol is zijn plaatsvervangende moeder allang vergeten. Wielrenners zijn daar anders in. Jelle Nijdam heeft een huis gekocht voor zijn moeder. Ik zeg altijd: de De Boertjes zijn gemankeerde wielrenners, zij zorgen nog wel voor hun ouders. Krol is een egoïst, een super-egoïst.''

Doodgraag zou hij terugkeren in het peloton. Als assistent-ploegleider. Kennis, ervaring, sociale intelligentie, alles gratis. ,,Ik heb me al aangeboden, bij de kleinste Nederlandse wielerploeg. Ik hoefde geen geld. Maar mensen die van hun passie leven worden gewantrouwd. Iemand zei: ,,Wat krijgen we nou, Michel, jij was toch de strateeg van de combines en het geritsel en nu zeg je dat geld niet belangrijk is.'' Praat van zwakzinnigen. Juist ik ben mijn rennersleven lang slachtoffer geweest van combines. Man, ik ben geflikt bij het leven.''

Het leven van een taxidriver is geen rozengeur en maneschijn. Maar er is troost. ,,Als hij in Nederland is, mag ik altijd Winston Bogarde rijden. En Nada van Nie, de vrouw van Bryan Roy, is ook een geliefde cliënt. Soms zitten we na de rit nog een kwartiertje na te praten. Over sport en competitie, over leven en welzijn.''

Ik omhels hem bij het afscheid. Dromerig zegt hij: ,,Wat denk je, zou Rudy Pevenage van Telekom mij nog kennen, zou er nog een plaatsje zijn in de staf van Raas, of bij Mapei? Schrijf op: Cornelisse is er bij afroeping, gratis, voor niks.''

De volgende dag lees ik dat Berry van Aerle verheven is tot lid van het promotieteam van PSV. Berry van Aerle: chef- suppoost bij geboorte, postbode van beroep, en ineens hogerop geklommen tot het krijtjespak van Jan Timmer. Ik kijk omhoog en dank de goden. En ik bid: nu Michel nog!