Taal als parasiet

Hoe is menselijke taal ontstaan? Volgens de Leidse school van de evolutionaire taalwetenschap is betekenis de drijvende kracht. `Betekenissen verrijken de mens maar kapselen hem ook in.'

`De taal is een wonderbaarlijk darwinistisch organisme! Zij resideert en gedijt in de hersenen van de mens en geeft gestalte aan ons bewustzijn, onze gedachten en ons wereldbeeld.'

Aldus begon George van Driem, specialist op het gebied van de Tibeto-Birmaanse talen die in de Himalaya worden gesproken, op 23 maart zijn oratie als hoogleraar Beschrijvende taalwetenschap te Leiden. Bij die gelegenheid ging hij breed in op het gedachtengoed van de Leidse school van de evolutionaire taalwetenschap. Tot die – nog bescheiden – stroming behoren naast Van Driem ook de sinoloog Jeroen Wiedenhof en hun beider promotor Frits Kortlandt, hoogleraar Baltoslavische taalkunde en Beschrijvende en vergelijkende taalwetenschappen. Onderscheidend kenmerk van de Leidse school is dat ze betekenis, en met name het dynamische aspect ervan, ziet als de grondslag van de taal, terwijl veel andere stromingen in de taalkunde aan betekenis een ondergeschikte rol toekennen.

Wanneer zijn onze voorouders taal gaan gebruiken? Archeologische vondsten wijzen uit dat de mens 40.000 à 60.000 jaar geleden kunst en religie beoefende – iets wat moeilijk is voor te stellen zonder taal. Maar wat ging daar allemaal aan vooraf? Hoe taal vanaf zo'n twee miljoen jaar geleden, toen Homo ergaster op het toneel verscheen, zich in het brein nestelde, is een probleem waar evolutionaire taalwetenschappers, hersenonderzoekers en biologen zich op gezamenlijke congressen het hoofd over breken. In zijn boek Languages of the Himalaya, dat in september bij uitgeverij Brill verschijnt, besteedt Van Driem in een inleidend hoofdstuk uitvoerig aandacht aan de evolutie van taal. Daarbij zijn de opvattingen van paleontologen, neurologen en primatologen hem liever dan die van menig taalkundige.

Van Driem ziet de ontwikkeling van taal als een geleidelijk proces, gestuurd door natuurlijke selectie. Met kracht verwerpt hij de visie van generatieve taalkundigen à la Noam Chomsky, die stellen dat taal zich ergens in de afgelopen 200.000 jaar plotseling aandiende, toen de mens syntaxis (grammatica) leerde hanteren. Van Driem: ``Generativisten doen heel ingewikkeld over syntaxis. Maar in vergelijking met zoiets ingewikkelds als betekenis is het Spielerei, ook al omdat het wiskundig zo eenvoudig is. Ze negeren dat de cognitieve voorwaarden voor het ontstaan van taal bij primaten allang aanwezig waren. Ook chimpansees en bonobo's kunnen betekenisvol met woordvolgordes omgaan.'

De oorsprong van taal heeft volgens Van Driem dus niets te maken met het verwerven van het vermogen om grammatica te hanteren. Voor de evolutie van de menselijke spraakorganen geldt hetzelfde. Het gaat dan om de positie van het strottenhoofd. Waar mensapen door hun neus `praten' en vooral de toonhoogte van hun klanken kunnen variëren, is de mens tot veel meer in staat. De relatief diepe ligging van het strottenhoofd in onze keel met het risico van verslikken verschaft ons een lang spraakkanaal dat lucht via de mond voert, waardoor een veelheid aan spraakklanken kan worden geproduceerd. ``Maar', zegt Van Driem, ``eerst kwam de taal om vervolgens via natuurlijke selectie de ontwikkeling van het spraakkanaal verder te sturen. Trouwens, ook honden kunnen zich lelijk verslikken en het Boston Aquarium had een rob, Hoover genaamd, die zó goed de menselijke stem kon nabootsen dat menige bezoeker erin tuinde.'

RODDELEN

En dan zijn er nog degenen die beweren dat taal is ontstaan omdat roddelen in sociale groepen nuttig zou zijn, of dat taal een nevenproduct is van het ontstaan van rituelen. Van Driem hecht er weinig waarde aan. ``Wie goed naar dieren kijkt ziet dat taal niet per se nodig is voor sociale ontwikkeling, de geluiden die ze nu maken volstaan. En rituelen komen in essentie neer op pathologisch gedrag, het zijn bijproducten van taal, van gedachten die zijn overgedragen en die het onvermijdelijke resultaat zijn van de manier waarop betekenis werkt.'

Onder welke condities kon taal gedijen? Mentale voorlopers zijn volgens Van Driem categorisch denken, met zijn indeling in bijvoorbeeld `giftige' en `niet giftige' bladeren, en herinneringen. Ook het vermogen te bedriegen speelde een rol. Dat Homo ergaster en zijn opvolger erectus gereedschap hanteerden is op zichzelf geen voorwaarde, eerder een indicatie dat intellectueel het niveau in zicht kwam waarop taal kon ontstaan. Het zijn cognitieve vaardigheden die ook aanwezig zijn bij andere primaten. Dat die geen taal ontwikkelden komt volgens Van Driem doordat alleen de mens op een zeker moment in zijn evolutie over zulke grote hersenen beschikte dat zoiets complex als taal tot de mogelijkheden ging behoren.

Voor de aanwezigheid van een apart taalorgaan bij de mens, zoals Chomsky beweert, ziet Van Driem neurologisch geen spoor van bewijs. ``Waar het om gaat is de vergroting van de hersenschors, gepaard gaande met een enorme toename van het aantal mogelijke neuronale verbindingen. Dat graduele proces van natuurlijke selectie in de prehistorie van de hominiden mondde uit in een brein dat rijp was om door taal gekoloniseerd te worden. Vervolgens werd taal, door het voordeel dat zij bood, de dominante factor in de evolutie van het brein. De enorme verdere ontwikkeling van de prefontale hersenschors is aan taal te danken, niet andersom.'

Als startsein voor de Leidse evolutionaire taalwetenschap geldt Kortlandts artikel `A parasitological view of non-constructible sets' uit 1985. Het verscheen in een Festschrift ter ere van Werner Winter en is kenmerkend voor Kortlandt zeer compact van opzet. Taal, zo is het uitgangspunt, is op te vatten als een parasiet die zich in de linkerhelft van de hersenen heeft genesteld. Taal onderscheidt zich van mazelen of pokken doordat het niet via lichamelijk contact wordt overgebracht maar door geluidsgolven, en doordat de wederzijdse acceptatie tussen taal en brein stabieler verloopt. Griep gaat over, taal niet.

OMHEINEN

De essentie van de Leidse theorie wordt gevormd door het `niet-construeerbaar zijn van betekenissen'. Dat houdt in dat je vooraf niet weet welke entiteiten dingen buiten de taal met een betekenis aangeduid worden: die verzameling voorwerpen is niet te `omheinen'. Als je `stoel' zegt, is voor een ander niet te voorspellen welk ding ermee wordt bedoeld. Je bent vrij als taalgebruiker het begrip te gebruiken op de manier die jou goeddunkt: duid je er een omgekeerde emmer mee aan, dan is dat op dat moment een `stoel'. Op dezelfde manier kan een kartonnen doos een huis worden al helemaal voor een Amsterdamse zwerver en kan een gesloten deur die niet op slot zit `open' zijn maar ook `dicht'. Van Driem: ``Zowel door een betekenis als door haar ontkenning kan naar éénzelfde situatie worden verwezen. Betekenis is daarmee zeer dynamisch.'

Deze visie sluit aan op de ideeën van de Hollandse significa, een wijsgerige stroming uit de eerste helft van de vorige eeuw waaraan de namen verbonden zijn van onder anderen Frederik van Eeden, Jacob Israël den Haan en L.E.J. (Bertus) Brouwer. De significi hielden zich bezig met het probleem van de menselijke verstandhouding, van de `taaldaad' – `Wat is de betekenis van betekenis?' vatte Den Haan de zoektocht samen. Verreweg de meeste menselijke conflicten, aldus Van Eeden en Brouwer, waren het gevolg van de bedrieglijke eigenschappen van taal.

Het niet-construeerbaar zijn van betekenissen houdt verband met Brouwers intuïtionistische wiskunde. Die ontkent het `principe van de uitgesloten derde', een hoeksteen van de klassieke logica. Volgens dat principe is een bewering waar of niet waar, een derde mogelijkheid is er niet. Bijvoorbeeld: een koe is een dier of ze is geen dier, en daarmee uit. Maar Brouwer zag in dat er (in de wiskunde) situaties denkbaar zijn waarin niet uit te maken valt of een object al dan niet deel uitmaakt van een zekere verzameling. Van Driem: ``Brouwer besefte al vroeg in zijn leven de vérstrekkende gevolgen van de kloof tussen de klassieke logica en de talige werkelijkheid. `Met de taal als slavin van den waan der werkelijkheid, is de wáárheid niet te zeggen', schreef hij in 1905 in Leven, kunst en mystiek. Het is de verdienste van Kortlandt dat hij dit door de Significi nergens bijster nauwkeurig verwoorde besef wist te herleiden tot het feit dat talige betekenis de wiskundige eigenschappen heeft van een niet-construeerbare verzameling, dat in de praktijk vooraf niet is te zeggen wat er allemaal met een betekenis is aan te duiden.'

Noemt Kortlandt taal een parasiet, Van Driem is optimistischer en houdt het op een symbiont. ``Taal biedt de mens onteggenzeggelijk evolutionair voordeel. Biologisch succes meet je af aan de omvang van je nageslacht en zo zoetjesaan hebben we de hele aarde kapot gemaakt met onze mensenmierenhoop. Wij veroveren de wereld dankzij taal, zonder dit organisme was de mens een onbeduidende primaat geweest. Betekenissen verrijken de mens maar kapselen hem ook in. We worden gedreven door ideeën, ideologieën of godsdienstige opvattingen waarvoor we bereid zijn te sterven. Taal richt de mens nog eens te gronde – vandaar het pessimistischer `parasiet' van Kortlandt.'

Dat inkapselen begint er al mee dat taal je overkomt: hoe wij de wereld ordenen en conceptualiseren verschilt per taal. Van Driem: ``Een spreker van het Dzongkha, de nationale taal van het koninkrijk Bhutan, is door de grammatica van zijn taal verplicht om keuzes te maken die in het Nederlands niet aan de orde zijn. Een verleden tijd eindigend op de uitgang -yi of -ci geeft in het Dzongkha aan dat de spreker de handeling zelf heeft meegemaakt of waargenomen. Zo niet, dan gebruikt hij de uitgang -nu. Hij kan die status van de informatie niet in het midden laten. Sterker, de keuzes tussen vrijwel álle grammaticale categorieën in het Dzongkha worden bepaald door overwegingen die fundamenteel anders zijn dan je bij grammaticale keuzes in het Nederlands maakt. Voor andere talen geldt iets dergelijks. Zo schept iedere taal haar eigen wereldbeeld. Reden te meer om talen, vooral met uitsterven bedreigde talen, op grondige, gedetailleerde en genuanceerde wijze te bestuderen en te beschrijven. Er is nog heel veel te ontdekken, over het verleden en over onszelf.'

Taal duldt tegenspraken. Die variabiliteit, die mogelijkheid om te rekken en te schuiven, is geen bijkomstigheid, maar juist de drijvende kracht voor betekenisontwikkelingen, het woekeren, het afsplitsen en recombineren (neem een woord als `slankheidsthee'), het steeds anders worden. Bij het interpreteren van een betekenis ga je op zoek naar de bijbehorende entiteiten, en als je ze niet kunt vinden, moet je ze je er toch bij voorstellen. Van Driem: ``Betekenis kan zich snel vermenigvuldigen omdat het zo flexibel is vanwege alle toepassingen die mogelijk zijn. Het sterkste voorbeeld van dat ongebreideld woekeren van betekenis is het begrip `God'. God is het prototype van de niet-construeerbare verzameling. God kan alles maar ook niets betekenen. Er is geen zelfbedrog machtiger dan God. God, om wie mensen elkaar de hersens inslaan, toont bij uitstek aan dat betekenis in wezen parasitair, terwijl de taal het voertuig van betekenissen een niet-kwaadaardige symbiont is.'

MEERKATTEN

Op welk punt in de evolutie van de hominiden was het brein rijp voor taal? Waar houdt het hanteren van tekens op en begint taal? Van groene meerkatten, een apensoort uit Oost-Afrika, is bekend dat ze verschillende kreten hanteren bij verschillende bedreigingen: voor een naderende slang hebben ze een ander geluid dan voor een luipaard of een adelaar. Het ontstaan van taal begint met het vermogen tot categoriseren. Dan volgt het vermogen de link te leggen tussen een klank of kreet en een afbeelding van de situatie in de hersenen. Daarna komt betekenis in de zin van de Leidse school. Volgens Van Driem is bij hominiden taal ontstaan zodra het brein situaties, bijvoorbeeld met een slang, cognitief ging uitsplitsen. Dat splitsen houdt in dat de alarmkreet `slang!' transformeerde tot de bewering `er is een slang'. `Slang!' is een signaal dat de aandacht op de gehele situatie vestigt, bij `er is een slang' is de slang een zelfstandige entiteit `losgeweekt' uit de bedreigende situatie. Van Driem: ``Zeg je `er is een slang', dan zit je niet meer aan het nu vastgeklonken, er ontstaat tijddiepte, de bewering kan ook naar een denkbeeldige situatie verwijzen. Zodra dat cognitieve onderscheid rees kreeg taal, grammatica inbegrepen, de ruimte. Taal begon zodra onze voorouders van signalen beweringen maakten ten behoeve van redeneren.'

Taalwetenschap is in beginsel een biologische wetenschap, aldus Van Driem. Daarom dienen taalkundigen samen te werken met neurologen en evolutiebiologen. Zelf heeft hij de afgelopen jaren in het Himalaya-gebied diverse onbekende talen ontdekt. ``Door die talen te bestuderen kunnen we nog zeer veel te weten komen over het verleden en over onszelf', besloot Van Driem afgelopen maart zijn oratie. ``De historische taalvergelijking biedt samen met de archeologie en de erfelijkheidsleer de sleutel tot ons verleden, terwijl de beschrijving en analyse van nieuwe talen een verkenning van andere wereldbeelden is. Een neurologische, wiskundige en grammaticale beschrijving van de betekenis zal fundamenteel inzicht bieden in ons bewustzijn, in onze beschaving en in onze geschiedenis.'

George van Driem: `Languages of the Himalaya. An Ethnolinguistic Handbook of the Greater Himalayan Region with a Short Introduction to the Symbiotic Theory of Language'. Uitgeverij Brill, circa 1400 blz., geïll., ISBN 9004103902. Prijs: circa ƒ440,-. Verschijnt in september.