`Straks vraagt de Kamer of we genoeg lunchpaketten hebben'

Ze bouwden scholen, legden bruggen aan. De Nederlandse mariniers in Eritrea verleenden humanitaire hulp. Terwijl minister De Grave had verzekerd dat ze dat niet zouden doen. Egbert Klop, generaal-majoor der mariniers: `Een kardinale denkfout.'

`Allemaal Srebrenica-angst.'' Generaal-majoor der mariniers Egbert Cornelis Klop spreekt vrijuit, en dat is bijzonder. Binnen de Nederlandse verhoudingen worden topofficieren niet geacht er in het openbaar een mening op na te houden. De laatste generaal die in het publiek kritiek uitte was landmachtbevelhebber Hans Couzy, halverwege de jaren negentig. Het kwam hem op een uitbrander van de Tweede Kamer te staan. Het grootste taboe: een generaal die zich uitlaat over politici.

Maar generaal Klop neemt geen blad voor de mond. Volgende maand neemt de 55-jarige generaal afscheid als commandant van het korps mariniers. Hij spreekt zonder voorbehoud over UNMEE, de missie van de mariniers in Ethiopië en Eritrea, en over vredesoperaties in het algemeen. De laatste tien jaar is er veel veranderd, zegt Klop. ,,Begin jaren negentig gingen we op pad zonder mandaat, zonder rules of engagement en zonder geformuleerde opdracht.'' Over de huidige bemoeienis van de Kamer zegt hij: ,,Straks gaan ze nog vragen of we genoeg lunchpakketten hebben meegenomen.''

Vredesoperaties zijn core business geworden voor de krijgsmacht. De mariniers keerden in juni terug uit Eritrea. Inmiddels wordt alweer gesproken over de aanstaande operatie in Macedonië, waar 250 soldaten van de luchtmobiele brigade mogelijk deel uit zullen maken van een NAVO-leger dat Albanese rebellen moet gaan ontwapenen. De Nederlandse bijdrage aan SFOR in Bosnië (iedere zes maanden opnieuw duizend man) loopt intussen gewoon door.

Egbert Klop heeft de ontwikkelingen van de laatste tien jaar van dichtbij gevolgd. In 1991 was hij commandant van de Nederlandse bijdrage aan Provide Comfort in Noord-Irak, de eerste Nederlandse vredesmissie sinds de val van de Muur. Als chef-staf van het korps mariniers was hij nauw betrokken bij missies in Cambodja, Haïti, Bosnië en Albanië. UNMEE, de United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea, markeert volgens Klop een voorlopig hoogtepunt: nimmer werd een vredesoperatie zo intensief gevolgd. ,,De politieke bemoeienis is gigantisch toegenomen.''

Van tevoren maakte iedereen zich erg druk over de mogelijke risico's van een vredesmissie in de Hoorn van Afrika. Maar achteraf kun je stellen dat al die drukte voor niets was: UNMEE is rimpelloos verlopen.

,,Het was zeker geen eitje. We hebben een majeure inspanning moeten leveren, vooral op logistiek gebied. Maar uiteindelijk is UNMEE een succes geworden. De beste missie tot nog toe.''

Er is een bufferzone ingesteld. Maar verder wil het vredesproces niet zo erg vlotten. Wat is het succes?

,,Het succes is dat Ethiopië en Eritrea na veel trekken en duwen zijn nagekomen wat ze beloofd hadden. Ik denk dat dat met name ook afgedwongen is door de aanwezigheid van de troepen in het gebied. Het professionele optreden, de uitstraling, de discipline van de mariniers heeft absoluut indruk gemaakt op beide partijen. Natuurlijk: als partijen echt niet willen, wordt het moeilijk. Maar vaak is het van beide kanten een soort half niet-willen: eigenlijk niet willen, maar begrijpen dat het wel moet. Dan heb je een club op de grond nodig die zegt: wij gaan dat mandaat uitvoeren op basis van het verdrag dat jullie ondertekend hebben. Daarbij is de indruk die je maakt op de lokale bevolking van levensbelang: ben je betrouwbaar, doe je nog iets voor de mensen? The battle for the hearts and minds heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in onze vredesmissies en dat heeft hij in Eritrea weer gedaan.''

Hoe dan?

,,We hebben scholen gebouwd, bruggetjes geslagen, waterleidingen aangelegd. We zijn, zonder dat we alle vluchtelingen gingen behandelen, `de medische zorg wat ruimer gaan interpreteren'. Of dat nou precies binnen het mandaat viel of daarbuiten, vind ik niet zo interessant. Het is uitstekend dat we het gedaan hebben.''

Maar minister De Grave had toch laten weten dat het bataljon zich uitsluitend zou bezighouden met de militaire taken? Na Srebrenica kreeg Dutchbat het verwijt dat het niets had gedaan voor de burgerbevolking. Dit keer moest vooraf heel duidelijk zijn dat Nederlandse militairen zich niet konden inlaten met humanitaire hulp, zo stelde de minister. Daar is in de Tweede Kamer veel over te doen geweest.

,,Ik heb met enige droefenis aangezien hoe de Kamer de minister dwong de missie zo te versmallen. Allemaal Srebrenica-angst. De Kamer vroeg aan de minister: wat als morgen heel Afrika bij het Nederlandse bataljon op de stoep staat? Kunt u garanderen dat u dan niet wordt overlopen? Dat kon de minister natuurlijk niet. Dus besloot hij om het bataljon dan maar op te dragen helemaal niets aan humanitaire noodhulp te doen. Aanvankelijk hebben we het mandaat daarom vrij nauw geïnterpreteerd. Daarna hebben we toch, in overleg met het ministerie, de ruimte genomen om wel degelijk iets aan die hearts and minds te doen. Militairen kunnen geen vredesmissies uitvoeren als Den Haag hun een hand op de rug bindt wat betreft humanitaire hulp.''

Maar de Kamer dacht juist de militairen van dienst te zijn.

,,Een kardinale denkfout. Vredesoperaties kunnen geen succes worden zonder steun van de lokale bevolking. Als die zich tegen je keert, ben je de klos. Ze kunnen een mijn op de weg schuiven, een brug onklaar maken, je rolt van de ene ramp in de andere. Alleen al uit opportunistische overwegingen moet je daarom enige ruimte krijgen om iets voor de mensen ter plaatse te doen. Zo win je goodwill en vertrouwen. Het wordt gewoon veel veiliger voor je.''

Heeft die Srebrenica-angst tijdens de politieke besluitvorming over UNMEE u verbaasd?

,,Ik wist dat hij er was. Maar de mate waarin Srebrenica het denken van de Kamerleden bepaalde, verraste mij. Tijdens de openbare hoorzittingen over UNMEE afgelopen najaar had ik het gevoel, zonder dat het woord werd uitgesproken, dat dat voortdurend het referentiekader was. Worden we overlopen door vluchtelingen, vragen over `ijzeren voorraden' [de voorraad die pas mag worden aangesproken in noodgevallen, red] . Voor Srebrenica heb ik behalve de uitvoerende commandant nog nooit iemand zich druk horen maken over de ijzeren voorraad. Nu kan elk lid van de vaste Kamercommissie voor Defensie het woord zonder stotteren uitspreken. Je zou willen dat de Kamer zich beperkte tot de politieke overwegingen en de randvoorwaarden en wat terughoudender was als het gaat om de uitvoering.''

Is de politieke bemoeienis van de Kamer toegenomen, vergeleken met tien jaar geleden?

,,Gigantisch. We hebben ook veel meer tijd om ons voor te bereiden. In 1991 nam de ministerraad op vrijdagmiddag een besluit. Diezelfde avond kreeg ik te horen dat ik de commandant was en dat ik maandag weg moest. Of ik nog even in Den Haag bij minister Ter Beek langs kon komen. Ik moet mijn plunjebaal nog pakken zei ik. Nou, dat kon mijn vrouw wel doen. Eenmaal in Den Haag vroeg Ter Beek: weet je wat je opdracht is? Ik heb wel een idee, antwoordde ik, maar niemand heeft het me nog verteld. Dan zal ik het even snel doen, zei Ter Beek, en toen heeft hij op de achterkant van een bierviltje me de missie uitgelegd.''

Letterlijk?

,,Ja. Kijk, de bemoeienis van de Kamer betekent ook dat er een grote betrokkenheid is. Dat is de pluskant van het verhaal. Voor militairen kan dat heel nuttig zijn als politici zich bemoeien met de voorbereiding van vredesoperaties. Een commandant kan eerder, en op een ander niveau terecht op het ministerie, bijvoorbeeld als hij denkt dat hij niet genoeg spullen heeft om mee op pad te gaan. Als een commandant begin jaren negentig zei dat hij iets nodig had dan werd er op het ministerie gezegd: prima, maar we hebben niet zo veel geld, u komt er wel uit. Tijdens de missie in Noord-Irak heeft het heel lang geduurd voordat we de beschikking kregen over eigen Alouette-helikopters, terwijl er een grote behoefte aan was. Tot het dichtstbijzijnde veldhospitaal was het een dag reizen. Als je dan een zwaargewonde over de meest slechte en hobbelige kuilen-gatenwegen moet vervoeren, heb je kans dat het niet meer hoeft. Tijdens de voorbereiding van UNMEE was er intern ook enige discussie over of we Chinook-transporthelikopters moesten meenemen. Dat dit keer zo snel werd besloten om de wens van de operationele commandant te honoreren, is een van de pluspunten van de politieke bemoeienis van de Kamer.''

U kreeg zelfs Apaches. Die waren niet nodig.

,,We hadden er niet om gevraagd. Maar voor het snel operationeel krijgen van het Apache-detachement is de missie een blessing in disguise geweest. Ze hebben in Djibouti ontzettend veel geleerd. Daar hadden ze in Nederland jaren over gedaan.''

Dat klinkt als een gezocht argument.

,,Ik zeg ook niet dat dat vooraf een overweging was.''

U zegt dat UNMEE de beste missie was tot nog toe. Maar er is ook veel misgegaan. De Kamer was zeer kritisch over de uit de hand gelopen kosten. Er werd materieel aangekocht dat ook elders aanwezig was en soms niet voldeed. Er werden chauffeurs ingehuurd bij Randstad terwijl de landmacht genoeg chauffeurs voorhanden had. De samenwerking van de marine met de landmacht en de luchtmacht liep blijkbaar niet echt soepel.

,,We kunnen niet meer voor een duppie op de eerste rij zitten. Als je als Kamerlid wilt – met het oog op het behoud van het schaarse personeel – dat mensen tevreden zijn, dan moet je zorgen voor behoorlijke levensomstandigheden. Maar er zijn fouten gemaakt. Als een vredesoperatie het niveau van één krijgsmachtdeel overstijgt, dan wijzen we in Nederland een krijgsmachtdeel aan dat `leidend' is. Dat is een absoluut rampzalig concept.

We hebben nu zo onderhand door dat de meeste vredesoperaties gezamenlijk `paars' zijn. Als je een gezamenlijke, paarse operatie wilt voorbereiden en aansturen, dan heb je ook een paars operationeel hoofdkwartier nodig. Bij de Defensiestaf in Den Haag is het bestuurlijke en het operationele veel te veel vervlochten. De Chef-Defensiestaf (CDS) is met honderdduizend dingen tegelijk bezig. Begrotingen, Kamervragen, een toespraak houden voor veteranen. Op een gegeven moment komt hij tijd en energie tekort.

Ik denk dat we onszelf een groot plezier zouden doen met een paars, `joint' hoofdkwartier, direct onder de CDS, zoals de Britten bijvoorbeeld hebben. Extra geld hoeft het niet of nauwelijks te kosten. Een gebouw, verbindingsmiddelen, je ontmantelt voor een deel de staven van de krijgsmachtdelen. Je zegt: jullie doen niets anders dan vredesmissies namens de minister, namens de CDS. Maar in Nederland valt men om, als je dat roept.''

Hoezo?

,,Dat heeft te maken met macht. Men geeft liever niet iets weg, men wil het als krijgsmachtdeel graag zelf doen. Dat begrijp ik wel. Maar ik geloof vanuit de optiek van de BV Nederland dat een joint headquarters echt een majeure stap voorwaarts zou zijn.''

Zou een hoofdkwartier dat zich alleen bezighoudt met vredesmissies niet het definitieve einde betekenen van wat Defensie de `algemene verdedigingstaak' noemt: het afslaan van de grote aanval uit het oosten?

,,Het betekent dat je de algemene verdedigingstaak even opzij zet. Eigenlijk gebeurt dat nu al. Het hoofdkwartier van het Duits/Nederlands legerkorps is aangewezen voor vredesmissies. Een aanval op NAVO-grondgebied kunnen we ons even niet voorstellen. Dat betekent niet dat we blind moeten zijn voor een dreiging die zich langzaam kan opbouwen. De realiteit is alleen dat het veel waarschijnlijker is dat we de komende tien jaar te maken krijgen met kleine oplaaiende conflicten zoals op de Balkan en met humanitaire operaties.''

Zou Nederland zich net als Canada en de Scandinavische landen moeten specialiseren in vredesmissies?

,,Ik vind dat je én én moet kunnen doen: vredesoperaties én het grote conflict. De middelen van Defensie zijn als een grote gereedschapskist. Daarmee moet je het hele geweldspectrum mee kunnen behappen. Maar heb je de komende tijd meer schroevendraaiers nodig, dan mik je er een zware tang uit. De marine heeft bijvoorbeeld het transportschip de Rotterdam laten bouwen. De luchtmacht heeft DC 10's aangeschaft. Die zijn van groot nut geweest voor UNMEE. Vroeger waren we aangewezen op Transavia.''