Oudedagsvuistregels

Een dertiger denkt na over zijn pensioen en stuit op deze fundamentele vraag. Wat levert bij maandelijks betaling van een vast bedrag, en een bepaalde koersontwikkeling, over een periode van dertig jaar meer op: deelnemen in een pensioenfonds, een eigen lijfrenteverzekering of meedoen in een wereldwijd beleggingsfonds? Een vraag even lastig te beantwoorden als `hoe lang is een Chinees?'. Hoe ziet de top-3 eruit? Een poging.

De vraag is actueel omdat zijn werkgever hem laat kiezen tussen meer dan één weg naar een onbezorgde oude dag. Hij krijgt daarvoor bijvoorbeeld 100 gulden per maand en veronderstelt gemiddeld 8 procent netto rendement per jaar. Het is een theoretisch kwestie, want een onderneming met een eigen fonds of regeling of een verplicht bedrijfs(tak)pensioenfonds (bpf) stelt als regel deelname verplicht en biedt weinig keuze. Desondanks is de vraag interessant, omdat mensen in hun arbeidzame leven meer dan eens wisselen van baan, dan wel te maken krijgen met verschillende voorzieningen, en moeten kiezen.

Waar draait het ruwweg om? Je stopt op je 65ste (verplicht) met werken en moet aan inkomen zien te komen, naast de AOW. Er zijn maar drie bronnen: een pensioenuitkering, een kapitaal of vermogen, of een combinatie van beide. De combinatie komt het meest voor. Hoewel? Veel mensen ontvangen niet meer dan een AOW-uitkering.

Wanneer je nooit deelneemt in een fonds, of geen lijfrentepolis bij een verzekeraar sluit, ben je op zelf beleggen aangewezen. Je staat er helemaal alleen voor. Uitgaande van 100 gulden per maand (1.200 per jaar), netto 8 procent, levert dat na dertig jaar op 65 jaar bijna 150.000 gulden op. Zet je die daarna tegen 3 procent netto op een spaarrekening, teer je daarop 25 jaar in, tot je 90ste, dan levert dat een belastingvrij aanvullend pensioen op van circa 8.600 gulden per jaar. Wie meer wil, moet terug rekenen. Een jaarlijkse opname van 43.000 gulden (5 maal 8.600) vraagt 750.000 startkapitaal en 500 gulden maandinleg tijdens de opbouw.

De resultaten hangen sterk af van de wisselende rendementen tijdens de opbouw- en inteerfase. Die 8 procent netto -eerlijk is eerlijk- vraagt wel 10 procent bruto. Pittig? De 2 procentpunt marge is voor de 1,2 procent box 3-heffing en kosten. Een zelfdoener krijgt geen belastingvoordelen, zoals aftrek van de inleg van het belastbare inkomen of extra vrijstelling in box 3. Daar staat tegenover dat hij altijd en in alle vrijheid over zijn geld kan beschikken, zelfs na zijn overlijden via zijn testament. Een vrijheid die verzekerden en fondsdeelnemers niet kennen.

De bekende vraag. En de inflatie dan? Je compenseert die door de maandinleg niet alleen op te laten lopen met een stijgend inkomend, maar ook met de inflatie. Bij 4 procent in een jaar, stort je geen 100 maar 104 gulden. Zo kom je aan het eind van de rit vanzelf hoger uit.

Wie levenslang deelneemt in een fonds -van 25 tot zeg 90 jaar- is in alle opzichten beter af dan de zelfdoener. De premies zijn aftrekbaar van je belastbaar inkomen (uitkering belast), de werkgever betaalt mee, de pensioenaanspraken vallen in box 1 en zijn vrij van de 1,2 procent heffing. De aanspraken en uitkeringen volgen vaak de prijsstijgingen en alles wordt voor je gedaan. Vorstelijk beleggen dus. Toch zeuren (verwende) mensen over hun fonds. Waarom? Mogelijk omdat ze de harde werkelijkheid van het zelf doen niet kennen.

Hoe groot is de kans dat je je hele leven in hetzelfde pensioenfonds zit, zonder breuken? Die is groot wanneer je deelneemt in een voor een hele sector verplicht gesteld bpf. Voorbeelden: het PGGM voor zorg en welzijn, het ABP voor overheid en verwante instellingen. Zorg, welzijn en overheid blijven altijd bestaan. De kans is minder groot wanneer het een ondernemingsfonds betreft. Werknemers wisselen van baan, bedrijven fuseren of verdwijnen. Het is lastiger om de rit uit te zitten.

Het pensioenfonds staat bovenaan in de top-3. Mede vanwege de solidariteit tussen de deelnemers. Onder andere jong voor oud, gezond voor ongezond en achterblijvers voor carrièremakers. Wie komen er op de tweede plaats: de eigen lijfrentevoorziening of zelf doen?

De lijfrentepolis dankt zijn populariteit aan het fiscale voordeel van de premie-aftrek. Tel daarbij de eventuele bijdrage van de werkgever en het is moeilijk om die polis te weerstaan. Maar daardoor bestaan er beperkende bepalingen tijdens de opbouw- en uitkeringsfase. De fiscus wil het voordeel terughalen via de uitkeringen. De lijfrentepolis (waaronder de koopsompolis) is dus een fiscaal corset voor het leven. Daar komen de kosten van de verzekeraar nog bij. Mede daardoor komt deze polis op nummer drie.

Twintigers en dertigers die willen beginnen met een oudedagsvoorziening en niet deelnemen in een pensioenfonds, kunnen overwegen om zelf de opbouw ter hand te nemen. Dat is altijd goed en niemand schrijft je voor wat je moet doen. Vrijheid, blijheid.

Vragen van lezers: hiele www.nrc.nl/geld