Hatelijk

Edgar Degas, bekend van zijn gevoelige werk met balletdanseressen en badende vrouwen, moet een weerbare man zijn geweest. In de anekdotes die over hem bewaard zijn gebleven, is hij gevat en onbevreesd.

Een jonge schilder, kennelijk uit een gefortuneerde familie, gaf in een gesprek met Degas te kennen dat het hem eigenlijk maar aan één ding ontbrak: talent. Degas zei: `Vraag uw vader of hij het voor u wil kopen.'

Een andere, kennelijk nogal zelfingenomen, liet zich ontvallen dat het voor een schilder verschrikkelijk moest zijn om te merken dat hij zijn talent verloor. Degas zei: `En nog verschrikkelijker om het niet te merken.'

En een derde, kennelijk niet helemaal zeker van zijn zaak, probeerde Degas over te halen om een expositie van zijn aquarellen te bezoeken. `Wellicht vindt u onze lijsten en tapijten een beetje overdadig, maar ja, is de schilderkunst niet een luxe bezigheid?' `De uwe misschien', reageerde Degas. `Bij de onze gaat het om een primaire levensbehoefte.'

Een tikje wreed misschien. Mensen die op hun nummer worden gezet. Het grappige van dergelijke hatelijkheden is dat ze aan dezelfde bron ontspringen als geestigheden. De flitsende uitval waarmee iemand zijn superioriteit bewijst dat lijkt niet op humor, dat is humor. Vandaar misschien dat het voor beginnende cabaretiers zo moeilijk is om leuk te zijn zonder te kwetsen. En vandaar dan ook dat er hele volksstammen bestaan die geen humor kunnen meemaken zonder zich gekwetst te voelen. Natuurlijk, niet iedere hatelijkheid is even fijnzinnig of geslaagd. Maar dat heb je in iedere tak van humor.

Kees Verwey moet eens geweigerd hebben de talloze ridderordes van Lodewijk van Deyssel af te beelden op een portret dat hij van hem maakte. Daarna waren ze gebrouilleerd. Niettemin legde Van Deyssel bij de opening van een expositie een bijzondere belangstelling aan de dag voor één van Verweys ingelijste aquarellen. Hij liet zich zelfs een stoel bezorgen om langer bij het betrokken stuk te kunnen toeven. Op een gegeven moment kon Verwey zijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. Hij vroeg wát hem nu zo bekoorde en Van Deyssel antwoordde dat hij zijn manchetknopen zo aardig weerspiegeld zag in het glas.

(Anekdotes uit: Antoon Erftemeijer. De aap van Rembrandt.)