Democratie is niet gebaat bij collectieve koppigheid

Dagelijks doemen vragen op die nopen tot het bepalen van een standpunt. Dat kan op verschillende manieren, variërend van het individueel vasthouden aan een bepaalde mening tot het van bovenaf opleggen van een mening. Te verkiezen valt een wetenschappelijke houding waarbij meningen als hypothesen worden gezien, vindt Herman Philipse.

Veel kwesties die ter sprake komen in de media nodigen uit tot het bepalen van een standpunt. Het Vaticaan verbiedt het gebruik van condooms in Afrika. Wijs of misdadig? In de Verenigde Staten procederen beleggers tegen banken vanwege de ingestorte beurskoersen. Moeten ze gelijk krijgen? Kunnen we global warming effectief terugdringen door de uitstoot van broeikasgassen te reduceren? Kan men de privatisering van het treinreizigersvervoer niet beter ongedaan maken? Telkens vraagt de lezer zich af: wat moet ik daar van denken?

Het loont de moeite die vraag in haar algemeenheid te stellen: hoe te bepalen wat we moeten denken?

Observatie leert dat mensen graag een mening hebben. Twijfel wordt als onplezierig ervaren. Maar het hebben van een standpunt heeft risico's. Het kan omslaan in twijfel wanneer de eigen mening botst met feiten of met meningen van anderen. Psychologen noemen dergelijke botsingen `cognitieve dissonantie'. Ze hebben ontdekt dat mensen maar een beperkte mate van cognitieve dissonantie kunnen verdragen.

De vraag is dus: welke methode moeten we hanteren om ons standpunt te bepalen, zodat het risico van cognitieve dissonantie beheersbaar blijft? Grofweg zijn drie strategieën te onderscheiden die we allemaal zo nu en dan toepassen.

Strategie 1 is die van de individuele koppigheid. We hebben een mening en blijven erbij. Dat lijkt mooi, want het geeft geestelijke rust. Maar de nadelen zijn groot: we kunnen in botsing komen zowel met feiten als met meningen van anderen, zodat de cognitieve dissonantie hoog oploopt. Mensen die de strategie vaak toepassen worden bijzonder verongelijkt.

Om de nadelen van strategie 1 te verkleinen heeft de mensheid vanouds strategie 2 toegepast: de methode van collectieve koppigheid. Iedereen moet hetzelfde denken. Wie anders denkt wordt geliquideerd of geestelijk gelijkgeschakeld, soms op heel subtiele wijze. Dit is de strategie van sommige wereldgodsdiensten en alle totalitaire regimes. Wat in Het Boek staat is waar en curie of politbureau hebben het monopolie op interpretatie van die waarheid. In Nederland, waar de consensus hoogtij viert, is een politbureau niet nodig: collectieve koppigheid ontstaat hier vanzelf, zie de ESF-affaire. De voordelen zijn onmiskenbaar: cognitieve dissonantie ten gevolge van meningsverschillen tussen mensen is uitgesloten.

Helaas blijft de andere bron van cognitieve dissonantie intact: botsing met feiten, die des te pijnlijker wordt naarmate men langer collectief koppig blijft. Zowel wereldgodsdiensten als totalitaire regimes doen hun best ook die bron uit te schakelen, wat gemakkelijk lijkt omdat men niet van mening mag verschillen met De Autoriteit. Men herinnere zich dat het Vaticaan in 1633 Galileï veroordeelde met het argument dat het heliocentrisme absurd, filosofisch onwaar, ketters, en in strijd was met de Heilige Schrift. Bijna vier eeuwen later is men in Byzantium aan de Tiber bereid te erkennen dat men zich had vergist. Ongelijk bekennen hoort niet bij de strategie van collectieve koppigheid.

De methode van collectieve koppigheid brengt weinig schade teweeg als ze zich beperkt tot standpunten die er praktisch niets toe doen. Maar bij standpunten die iets met ons leven op aarde te maken hebben leidt ze tot rampen, want feiten laten zich niet dwingen. Daarom is voor het bepalen van onze mening over kwesties van belang strategie 3 te verkiezen: de strategie van de wetenschappelijke houding. We zien onze meningen als hypothesen, die best eens onjuist zouden kunnen zijn.

Dan wordt het interessant wat anderen ervan denken: misschien hebben zij gelijk en wij niet! Wie gelijk heeft wordt overigens niet door onszelf of een ander bepaald maar, ruwweg gezegd, door de feiten. Daarom loont het steeds vernuftiger methoden te ontwerpen om te achterhalen hoe de wereld feitelijk in elkaar steekt en onze hypothesen te toetsen. Met deze strategie heeft de mensheid enorme vooruitgang geboekt. In culturen waar strategieën 1 of 2 overheersen, zien we daarentegen vooral stagnatie en ellende.

De derde strategie, die van de wetenschappelijke houding, kan cognitieve dissonantie niet uitsluiten. Eerder zoeken we het meningsverschil met anderen op en lokken weerleggingen door de feiten bewust uit. Maar de strategie maakt cognitieve dissonantie wel beheersbaar en draaglijk, omdat ze aan regels wordt onderworpen – regels voor zindelijke discussie en voor objectief onderzoek. De wetenschappelijke houding vereist enkele deugden, zoals nieuwsgierigheid, creativiteit in het verzinnen van alternatieve visies, tegendraadsheid, intellectuele autonomie, eerlijkheid, en respect voor afwijkende meningen – deugden die volgens de methode van collectieve koppigheid juist ondeugden zijn.

Men geeft hoog op van het morele gehalte van de bijbel of de koran. Maar genoemde deugden, die tot vooruitgang leiden, vindt men er niet in bepleit. Integendeel. Jezus zegt: `Elke plant die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden' (Matteüs 15:13).

Een democratie kan pas goed functioneren als bij politici en burgers de wetenschappelijke houding overheerst. Pas dan is een open discussie over het te volgen beleid mogelijk. Taboes, zoals op onderzoek over fraude bij uitkeringen, passen niet in zo'n houding. Paradoxalerwijze kan men zeggen dat de politiek in een democratie beter functioneert naarmate minder kwesties gepolitiseerd worden. Natuurlijk zijn niet alle meningsverschillen wetenschappelijk te beslechten. Soms spelen normen en waarden een cruciale rol en zijn compromissen onvermijdelijk. Maar zelfs bij discussies over normen zijn feitelijke kwesties vaak belangrijker dan men denkt.

Bijvoorbeeld: een overheid die een algeheel verbod op abortus in de strafwet wil handhaven, doet er goed aan te onderzoeken hoeveel vrouwen dan sterven door clandestien uitgevoerde afdrijvingen. Het is typerend voor strategie 2, de collectieve koppigheid, dat men zorgvuldig vermijdt de relevante feiten op te sporen.

Deze overwegingen hebben consequenties voor het onderwijs. Een democratisch land heeft er geen belang bij religieus gekleurd onderwijs te financieren, als dit betekent dat daardoor de strategie van collectieve koppigheid wordt versterkt. Eerder moet van jongsafaan de wetenschappelijke houding worden aangeleerd.

Dit betekent niet dat een groot deel van de bevolking moet kiezen voor een loopbaan in de wetenschap; die is alleen weggelegd voor diegenen die excelleren in genoemde deugden. Maar het betekent wel dat een democratische staat wetenschappelijk onderzoek in engere zin in ere moet houden. Want daarin wordt een cognitieve houding ontwikkeld die aan iedereen in de samenleving tot voorbeeld kan strekken. En door de groei van beschikbare kennis is arbeidsdeling bij het bepalen van ons standpunt onvermijdelijk geworden.

Prof.dr. H. Philipse is hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Leiden.