De bak van Rob

Wat is er van die leeuwen met hun bezempjes geworden?

Leeuwen met bezempjes, denkt u. Nooit gezien, nooit van gehoord.

Het is dan ook alweer zeven jaar geleden. Het zwerfafval was als groot probleem herkend. Om het kwaad te bestrijden, had men de Stichting Nederland Schoon opgericht. Die had een ontwerpbureau opdracht gegeven om een logo te verzinnen. Zonder logo begin je niets. De designers kwamen voor de dag met het Nederlandse wapenschild, vastgehouden door twee koningen der wildernis die in een van hun klauwen een bezempje hielden. Diezelfde zomer werden op Zeeuwse campings voor de gasten vuilwerpwedstrijden georganiseerd. In plaats van te volleyballen gooiden ze vuil naar een aangewezen doel. ,,Op deze manier kunnen de toeristen van voor naar achter en binnenstebuiten kennis maken met het onderwerp'', aldus de heer E. de Jongh, directeur van de SNS, geciteerd in de Volkskrant van 5 oktober 1994. De vuilbewustheid aanwakkeren, daar ging het om.

Binnenkort komt er een standbeeldje, op de Amsterdamse Westermarkt (als de gemeente het goedvindt), of ergens anders. Het stelt een jongeman voor, Rob, die op het punt staat een prop in een vuilnisbak te gooien. Dit is een initiatief van de Stichting voor Ideële Reclame, Sire. Het is de tweede fase in de campagne Weer een lid erbij! Het gaat goed met de maatschappij! Rob is een naam die vastberadenheid verraadt. Kapitein Rob. Een echte zeerob. Maar hebben ze er bij Sire aan gedacht dat Rob rijmt op prop? Of is het expres gedaan? Ik hou m'n hart vast.

Daar gaat het verder niet om. In mijn stukje van de vorige week heb ik me afgevraagd hoe groot de vuilnisbak in dit kunstwerk is, en of er al iets in zit, en zo ja, hoeveel. Want het vraagstuk van het zwerfvuil bestaat uit twee delen: de bereidheid om het ergens in te gooien, en de beschikbare opvangruimte. Met een voorbeeldige bereidheid als die van Rob schiet je niets op als de opvangruimte al uitpuilt van alles wat eerdere Robben er in hebben gegooid, en op den duur geperst, gestampt.

Ik heb geen wetenschappelijke gegevens; ik sla een slag. Sinds 1990 is de straatconsumptie gestaag toegenomen. In 2001 zal er ongeveer viermaal zoveel gegeten, gesnoept, vermalen, gedronken en gezopen zijn als elf jaar geleden. De producent die zich op de vrije markt van deze consumptie wil handhaven, is gedwongen steeds kleurrijker, glanzender, handiger verpakkingen in groter verscheidenheid te maken. Het is niet onaannemelijk dat de stijging van het volume verpakkingsmateriaal dat van de eigenlijke consumptie nog overtreft. In deze zelfde periode zijn model en omvang van de vuilnisbak gelijk gebleven. Een gleuf van misschien tien bij twintig vierkante centimeter geeft toegang tot het minicontainertje. Er zijn zelfs modellen waarbij deze opening in tweeën is gedeeld. Misschien om het de zwervers moeilijker te maken, naar eten en drinken te zoeken. Al met al geen wonder dat Rob vaak radeloos staat en ten einde raad zijn lege blikje breezer maar onder een bankje of naast een boom zet.

In het stadium dat we nu hebben bereikt, eisen de consument en zijn maatschappij een nieuw type vuilnisbak. Ga om te beginnen eens kijken in New York. Daar staat op vrijwel iedere straathoek een hoge, mandachtige bak die 's avonds vol is, en, ja, 's ochtends weer leeg! Hoe ze dat daar klaar spelen weet je niet. De grote toegankelijkheid en de zichtbaarheid van de inhoud geven veel voordelen. Arme mensen vinden er hun ochtendblad van dezelfde dag in, daklozen een halve pizza, en de blikjesverzamelaars halen er het grootste deel van hun broodwinning uit, want ze leveren de lege blikjes bij zakken vol in en krijgen er geld voor.

Grotere straatvuilnisbakken moeten we hier dus ook hebben, maar van welk model? Verplaatsen we ons in een postmoderne Rob. Wat wil hij met zijn lege longneck, dat nieuwe onweerstaanbare flesje waaruit hij juist de laatste druppel bacardi-cola heeft gelikt? Hij wil scoren. Hij wil met dat stuk glas nog even uit zijn dak. En bij de aanblik van zijn voltreffer een schreeuw geven. Voltreffer! Probeer het eens bij zo'n Amsterdams bakje. Daar begint Rob niet aan. Er valt trouwens niets te treffen want het bakje is vol.

De bak van Rob moeten we ons voorstellen als een totaal vernieuwde; een bak die in vormgeving, kleur en inhoud een ultieme uitdaging is. Aan de reacties op mijn stukje van vorige week heb ik gemerkt dat veel lezers zich met het probleem bezighouden. Nu vraag ik u, nog verder te denken. Maak een ontwerp voor een bak die onweerstaanbaar is, een fun-bak, of een pop-bak en geef het ding een naam. De beste worden afgedrukt; rechten gegarandeerd.