Cricket is oorlog

Cricket is niet meer de elitaire sport die het ooit was. Surinamers, Indiërs, Pakistanen willen meedoen. En winnen. `We moeten accepteren dat cricket voor hen geen gezelligheidsspel is', zegt een Nederlandse cricketer. Anderen pleiten voor een aparte competitie voor buitenlanders.

`Shabash! Shabash!' galmt het over het cricketveld van Quick Haag in Kijkduin. De Pakistanen van het Amsterdamse Jinnah feliciteren elkaar. De scheidsrechter heeft weer een speler van Quick II uitgegeven. Daar hadden de bezoekers uit de Bijlmer luidruchtig (,,Houwwzzthèèèt!!??'') om gevraagd. ,,Nou, nou, jongens, kalm aan hoor'', zegt één van de vier keurige dames op klapstoelen langs de lijn. Ze zijn het erover eens dat het allemaal wel wat rustiger mag.

Maar cricket is in Nederland niet meer een weldadig rustige competitie tussen villabuurten. Door de toestroom van Surinamers, West-Indiërs, Indiërs, Sri-Lankezen en vooral Pakistanen klinkt het plik, plak, plok, pluk van de cricketbats nu ook in de Bijlmer, in Almere, op het veen in Den Haag en in de oude arbeiderswijken van Rotterdam-Zuid. Op en langs het veld ontstaan er botsingen tussen culturen en opvattingen, soms letterlijk. Contributie betalen om te cricketen, bijvoorbeeld, vinden veel nieuwkomers maar raar. De absolute wil om te winnen daarentegen vanzelfsprekend. Tussen de innings eten ze liever scherpe rijst met kip dan sandwiches met ham en het drankgelag na de wedstrijd is in strijd met het geloof.

In Pakistan is het organiseren van een wedstrijd doodeenvoudig: je wikkelt tape om een tennisbal, neemt bezit van een plein, park of doodlopende straat en zet een provisorisch wicket in elkaar. Niet in Nederland. Daar bestaan richtlijnen voor een deugdelijke accommodatie. En daar zijn bestemmingsplannen, waarin met veel moeite misschien een plek kan worden gevonden voor een cricketveld.

De samenstelling van het Nederlandse team dat onlangs in Canada het wereldkampioenschap voor B-landen heeft gewonnen, weerspiegelt de verhoudingen binnen het cricket. Onder leiding van de op Barbados geboren Emerson Trotman speelden drie `Pakistanen' een belangrijke rol bij de historische triomftocht. Ruim eenderde van de vijfduizend cricketers in Nederland is inmiddels van Aziatische, Surinaamse of West-Indische komaf. Met name de Pakistaanse gemeenschap in Nederland, ruim vijftienduizend zielen groot, is goed vertegenwoordigd. Van de tien `zwarte clubs' bestaan er acht uit Pakistanen. In de twee eerste klassen staan de Bijlmer CC en Jinnah bovenaan. De kans bestaat dus dat beide clubs in september gaan uitmaken welke `Pakistaanse' club mag debuteren in de hoofdklasse. Alle spelers kennen elkaar want in het voor- en naseizoen spelen ze wel eens vriendschappelijk om het `kampioenschap van de Bijlmer'. In de overgangsklasse staat Pak Dutch bovenaan, op bescheiden afstand gevolgd door Asian Shaheen, Punjab en Jinnah II.

De eerste cricketbal in Nederland werd in 1845 weggeslagen. Door een jongen van een Engelse kostschool vlakbij Voorschoten, de plaats waar nu cricketvereniging The British School in the Netherlands zetelt. Anderhalve eeuw lang bleef cricket hier een bescheiden en blanke aangelegenheid. Net als in bakermat Engeland is cricket in Nederland van oudsher een mondain tijdverdrijf. ,,Baseball on valium'', zoals de Britse acteur Robin Williams het ooit kenschetste. Een oud-bondsvoorzitter definieerde het als ,,een cursus teamspirit, zelfbeheersing en zuivere sportiviteit''. Die cursus wordt gesponsord door vermogensbeheerders, effectenbankiers, advocatenkantoren en notarissen. Discreet. De namen op de shirts zijn klein, en het is bij reglement verboden een club naar de sponsor te vernoemen, zoals bij andere sporten wel gebeurt.

De opkomst van het allochtone cricket gaat niet zonder slag of stoot. Regelmatig wordt de rust op de Nederlandse velden verstoord door scheldwoorden, soms gevolgd door vechtpartijen tussen allochtone en autochtone spelers. Vooral in de lagere klassen, waar de battende partij bij gebrek aan scheidsrechters beslissingen moet nemen, botsen verschillende zienswijzen. De vechtpartij tussen spelers van het Pakistaanse Shaheen (adelaar) en Bloemendaal in 1995 haalde zelfs de Engelse cricketbijbel Wisden. Twee spelers van de Pakistaanse vereniging Pak Dutch gingen drie jaar terug dermate tekeer dat de club een jaar werd geschorst. In 1997 deden de stumps (de houten paaltjes) tijdens de wedstrijd tussen Jinnah en ACC 3 dienst als wapenstokken na een discutabele beslissing. Een jaar later moest de politie een speler van het Surinaams-hindoestaanse Gandhi tot bedaren brengen. De speler wilde de umpire te lijf gaan omdat die volgens hem ten onrechte een bal had uitgegeven. Het duel tussen het Pakistaanse Friends en HCC 4 haalde afgelopen seizoen het einde niet. En onlangs nog sneuvelde een tuinstoel tijdens een vechtpartij tussen het hindoestaanse Jai Swadesh en de Engelsen van De Kieviten in Wassenaar. Het resultaat van een uit de hand gelopen ruzie over het wel of niet stoppen nadat het was opgehouden met zachtjes regenen.

Echt vriendschappelijk wordt het zelden, constateert bondsscheidsrechter en Bloemendaal-veteraan Frank van der Weijden. ,,Recentelijk nog speelde ik tegen Excelsior '20. Tijdens de wedstrijd ontstond er onenigheid over een beslissing. Na afloop gingen de `buitenlandse' spelers van de tegenpartij meteen mokkend huiswaarts.''

Op zijn beurt is Jinnah-bowler Abdul Bari Salam nog altijd ziedend over de manier waarop hij werd behandeld bij het Amstelveense VRA, zijn eerste club in Nederland: ,,Of het discriminatie was weet ik niet, maar ik kwam amper aan spelen toe. Terwijl het goed ging áls ik speelde. In Pakistan hebben coaches wél oog voor talent. Volgend jaar spelen we hopelijk in dezelfde klasse als VRA. Dan zal ik hun ongelijk bewijzen.''

Oud-international Leon Bouter signaleerde juist een vorm van ,,omgekeerde discriminatie'' toen hij vorig jaar werd geschorst wegens onsportief gedrag. ,,Bij Gandhi worden er stumps uit de grond gelopen en daar wordt niets aan gedaan, terwijl mijn misdragingen [...] begaan zijn in de strijd om de bal'', liet hij Weekblad Cricket verontwaardigd weten.

Vals spelen

De moeizame integratie komt voor uit het feit dat cricket in het Westen een andere rol vervult dan in de voormalige Britse koloniën. In het Westen was cricket altijd een aangenaam tijdverdrijf voor de elite. In Sri Lanka, India, Pakistan en de voormalige Britse koloniën in het Caraïbische gebied is cricket volkssport nummer één. De speelstijl is er even agressief als enthousiast. Slagmannen houden de bal niet op geschoolde wijze tegen, maar proberen hem zo ver mogelijk buiten de lijnen te jagen. In India bijvoorbeeld lijkt het batten op het autorijden ter plaatse: brutaal, ongeduldig, voortvarend, riskant en met een gebrek aan remmen. Techniek is een bijzaak. Op hun beurt houden hun bowlers er niet van om de slagmensen langzaam in slaap te sussen of ze geduldig te verleiden tot een misser. Nee, het liefst horen ze het houten wicket breken.

Het Engelse gezegde ,,that's not cricket'' is in de voormalige koloniën niet helemaal overgekomen. De Britse cricketjournalist Simon Hughes zag in Pakistan een ,,gooi- en smijtbenadering'', wat volgens hem eigenlijk geen verbazing hoefde te wekken, ,,omdat er in het Urdu geen woord bestaat voor alsjeblieft''. Cricket, zegt Hans Keman, hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit en cricketer, is in de voormalige Britse koloniën bijna een religie, waarbinnen winnen alle middelen heiligt. ,,We moeten eens accepteren dat cricket voor hen geen gezelligheidsspel is, maar dat het hun doel is het andere team met de grond gelijk te maken. Ja, en natuurlijk, vals spelen hoort daar bij, en daar moet je gewoon iets van zeggen. Als aanvoerder sprak ik van tevoren altijd op vriendelijke wijze hun `stamhoofd' aan om de regels voor de zekerheid nog eens vast te stellen. Maar meestal wordt er pas aan de bar over geklaagd of belanden er op het wedstrijdformulier stiekem kritische kanttekeningen.''

Moedeloos van de kloof tussen de culturen stelde de secretaris D.Rasiawan van Jai Swadesh afgelopen mei voor net als in Groot-Brittannië een allochtonencompetitie op te zetten. Cricket zou geen gentlemen's game meer zijn, maar een jungle van regels. `Zwarte' verenigingen worden bewust laag gehouden, luidde zijn kritiek.

Een aparte competitie zou bij gebrek aan belangstelling vooralsnog bestaan uit één vereniging. Maar zo'n geluid kan niet zomaar worden genegeerd, meent Keman, want ook aan de `blanke' borreltafel heeft hij deze sentimenten waargenomen. Begin jaren negentig schreef hij een rapport over de toekomst van het cricket in Nederland, waarin hij een verdere tweedeling in de cricketwereld voorspelde. ,,Het ontstaan van `zwarte' clubs is een begrijpelijke ontwikkeling'', zegt hij. ,,Bij mijn eigen club, Rood & Wit, hebben de Engelse spelers op hun beurt een team gevormd. Wat de Pakistanen betreft, mag de cricketbond wel wat meer doen om ze een echt plaatsje onder de zon te geven, en niet alleen op papier.'' Hij pleit ervoor meer gemengde wedstrijden te spelen, onder meer door nieuwkomers te betrekken bij De Flamingo's, een rondreizende ereclub die in 1921 is opgericht om het spel te verspreiden en te verbeteren. ,,Een ding is zeker: spelen willen ze altijd'', weet Keman.

Bondsscheidsrechter Frank van der Weijden vindt dat de Nederlanders wel wat kunnen leren van de speelse wijze waarop de nieuwkomers met de sociale kant van het cricket omgaan. Hij doelt op het geven van prijsjes voor allerlei prestaties in en buiten het veld. En het lekkere eten van de nieuwkomers. Er is altijd kip, in plaats van een karig broodje, ook voor de gasten. In tegenstelling tot enkele van zijn collega's heeft Van der Weijden er geen moeite mee `risicowedstrijden' te leiden. ,,Als umpire probeer ik me zoveel mogelijk aan te passen, goede compromissen te vinden tussen hun beleving en onze regels.''

Voorzitter René van Ierschot van de Koninklijke Nederlandse Cricketbond ziet het ook allemaal zo somber niet in. Hij spreekt liever van een kosmopoliete cricketgemeenschap dan van een allochtonenprobleem. ,,Een goede communicatie zorgt ervoor dat het de goede kant op gaat en dat is vooral te danken aan de spelers zelf. Een soort marktwerking op het veld, met name bij de jongste generatie. Van de toenmalige staatssecretaris Erica Terpstra konden we indertijd subsidie krijgen voor een integratieproject. Dat was goed bedoeld, maar als bestuur van een kleine bond gaan we liever zélf bij de clubs langs om te praten dan dat we zoiets overlaten aan een gesubsidieerde projectmanager.''

Zand en kiezels

Hardnekkiger dan de culturele en sportieve obstakels blijken de praktische problemen. Een beetje cricketclub in Nederland is eind negentiende eeuw opgericht en bezit een fraaie accommodatie. Bij Volharding R.A.P. Amstels in het Amsterdamse Bos staat net als op de fameuze cricketground van Canterbury een boom in het outfield, in Bloemendaal woont de coach tijdens de zomer in een oude molen langs de zijlijn, Quick Haag heeft een tribune, de Rotterdamse Volharding Olympia Combinatie beschikt over een klassiek paviljoen en naast het veld van de Diepput van de Koninklijke Haagsche Cricket Club bevinden zich de houten huisjes waar de Indiase sterspeler Kapil Dev ooit met groot machtsvertoon de bal overheen joeg.

De oudste Pakistaanse club, het Rotterdamse Pak Dutch, bestaat begin augustus zeventien jaar en beschikt ternauwernood over kleedlokalen. Er is een kantine, maar die is dicht. Die is namelijk van de voetbalvereniging, en die is met vakantie. De meeste `nieuwe' clubs spelen op twee samengevoegde voetbalvelden waarvan het gras altijd weer te hoog is. Veelgehoorde klacht is dat gewone terreinknechten, net als de meeste Nederlanders, niets van cricket weten. Een thuiswedstrijd van Gandhi ging onlangs niet door omdat het veld bezaaid was met zand en kiezels.

Langs het veld van Jinnah staan twee containers. De accommodatie is de achilleshiel van Jinnah, beseft voorzitter John Shah Mohammed, die zes jaar geleden aan de wieg stond van de naar de Pakistaanse vader des vaderlands Mohammed Ali Jinnah vernoemde club. Net als in Jinnah's politieke filosofie, staat bij de cricketclub geloof, eenheid en discipline centraal. Het organisatievermogen mag er zijn. Een uitzendbureau voor schoonmaakpersoneel sponsort de club, er komt een jeugdafdeling, de spelers dragen fraaie tenues, er zijn plannen voor kunstlicht, minimaal twee keer per week trainen ze en als eerste club in Nederland gaat Jinnah prijzen uitreiken voor de man of the match. ,,Ja, ook als een speler van de tegenpartij daarvoor in aanmerking komt'', lacht Mohammed. Trots toont hij een foto waarop bondsvoorzitter René van Ierschot hem een kampioensbeker overhandigt. Hij hoopt op een spoedige herhaling van dit tafereel, maar zonder fatsoenlijk complex mag een club geen hoofdklasse spelen. Sterker: het ziet ernaar uit dat Jinnah dit seizoen helemaal geen thuiswedstrijden meer kan spelen op de Bijlmermeerweide. Dankzij het gebrek aan kleedruimte, stromend water en toiletten willen de scheidsrechters daar namelijk geen wedstrijden meer leiden.

,,Een in en in trieste situatie'', vindt Jan Wilts, voorzitter van de scheidsrechterscommissie. ,,En de schuld ervan ligt voor 0,0 procent bij Jinnah. Het is de lakse houding van de gemeente Amsterdam waardoor deze uiterst sympathieke club in een verdomhoekje terechtkomt.'' Volgens Mohammed zijn het de buren – een kinderboerderij en een tuincentrum – die de bouwvergunning voor een kantine proberen tegen te houden. Onbegrijpelijk, vindt hij. ,,Wat voor een overlast veroorzaken we nou? In vier maanden tijd wordt hier een paar keer per week cricket gespeeld. In Pakistan wordt dag en nacht cricket gespeeld. Overal. Het hele jaar.'' Hij vindt het sowieso onbegrijpelijk dat het Nederlandse cricket na meer dan een eeuw nog zo weinig aandacht en respect krijgt. Dat wil hij graag veranderen. Mét de autochtonen.