Bewustzijn ontrafeld

Volgens de neuroloog Antonio Damasio beschikken alle zoogdieren over een kernbewustzijn. Dat helpt hen bij externe veranderingen die niet in het elementaire bouwplan waren voorzien.

Over de aard van bewustzijn c.q. geest is de afgelopen vijftig jaar heel wat afgetobd. Natuurlijk hebben vrijwel alle belangrijke filosofen door de eeuwen heen al wel íets over dit onderwerp gedebiteerd, maar rond 1950 ontstond er zo veel meer systematiek in het `denken over bewustzijn', dat van een apart vak werd gesproken: `The Philosophy of mind'. Om dit feit te herdenken `Vijftig jaar Philosophy of mind' is het jongste nummer van Wijsgerig Perspectief volledig aan het denken over bewustzijn gewijd.

En gedacht ìs er, in die afgelopen vijftig jaar. Door Gilbert Ryle die meende dat mentale toestanden wel in conceptuele relatie staan tot bepaalde vormen van gedrag maar het gedrag nooit kunnen veroorzaken, door Daniel Dennett die er altijd van is uitgegaan dat bewustzijn een illusie is, door Jerry Fodor, die stelde dat denken hetzelfde is als rekenen (het brein als computer), door Paul Churchland die meende dat `intentionaliteit' (het altijd op iets gericht zijn) als kenmerk van bewustzijn nog het beste met demonen kan worden vergeleken want demonen bestaan ook niet.

Zeer boeiend allemaal, maar na lezing van deze jongste uitgave van Wijsgerig perspectief valt andermaal op hoe schimmig de debatten over bewustzijn in feite worden gevoerd. Want hoe vernuftiger er wordt geredeneerd, des te minder bewustzijn er overblijft. Deze paradox zal ongetwijfeld te maken hebben met de aloude vraag wat bewustzijn nu eigenlijk ìs. Valt aandacht eronder? Overtuigingen? Pijnervaring? Heeft bewustzijn een functie? En dan is er nog de kwestie van de correlatie: hersentoestand A correleert met bewustzijnstoestand B. Maar wat máákt dat A met B correleert? Het is de vraagstelling van de New Mysterians, een groep neurofilosofen die meent dat het raadsel van het bewustzijn onze pet eenvoudigweg te boven gaat.

Dat bewustzijn ook anders kan worden benaderd, vanuit de biologische praktijk, bewijst de Portugees-Amerikaanse neuroloog Antonio Damasio. In zijn recent vertaalde boek `Ik voel, dus ik ben', dat zich laat lezen als een vervolg op zijn eerder boek `De vergissing van Descartes', passeert een stoet aan intrigerende neurologische casussen. Deze concrete gevallen moeten Damasio's stelling onderbouwen dat bewustzijn wetenschappelijk is te benaderen, ondanks de subjectiviteit ervan, en dat er meer vormen van bewustzijn zijn, waarvan het kernbewustzijn de voornaamste is. Neem `het geval David'. David heeft geen geheugen, dat wil zeggen: hij kan de dingen en gebeurtenissen die hij waarneemt ongeveer 45 seconden vasthouden. Als je met hem praat en je loopt even weg, dan zal David je bij terugkomst niet meer herkennen. Foto's waarop hij zelf staat afgebeeld, herkent hij niet. Doordat David geen geheugen heeft, is er voor hem ook geen `gisteren' en kan hij derhalve geen `morgen' construeren. Plannen maken voor de toekomst is voor hem niet weggelegd. Hij leeft, zogezegd, in het eeuwige hier en nu.

KERNBEWUSTZIJN

Damasio's intrigerende vraag is: heeft David, bij wie zowel de linker- als de rechterslaapkwabben ernstig beschadigd zijn, een bewustzijn dat vergelijkbaar is met dat van ons? Damasio denkt van wel. Volgens hem beschikt David steeds over het `kernbewustzijn', wat wordt gekenmerkt door wakker en alert zijn, voor langere tijd ergens de aandacht op kunnen richten, doelgericht (contextueel) gedrag vertonen, en, heel belangrijk, er moet sprake zijn van een zelfgevoel (het organisme moet `weten' dat zijn waarnemingen en emoties hem toebehoren). Op grond van deze definitie schrijft Damasio aan David een kernbewustzijn toe: alles wijst er namelijk op dat David aan deze voorwaarden voldoet. Zelfs zijn taalvermogen is niet aangetast, Damasio praat honderduit met hem.

Maar, zo vermoedt Damasio, er is óók een verschil met ons bewustzijn, ons `uitgebreide bewustzijn' zoals hij het normaal functionerende menselijke bewustzijn noemt. De voorstellingen die David maakt, bijvoorbeeld in de vorm van `the stream of consciousness', zijn niet specifiek, maar algemeen. Hij kan zich, door de afwezigheid van een geheugen, geen specifieke gebeurtenissen, personen, plekken en dingen voor de geest halen. Zijn stream of consciousness zal zich derhalve beperken tot algemene kennis (en representaties) van ontvangen prikkels, kennis van zijn lichaam, zijn fysieke en psychische toestand en kennis van voorkeuren en aversies.

Het bezit van een kernbewustzijn is volgens Damasio niet voorbehouden aan menselijke wezens. Op z'n minst hebben alle zoogdieren een dergelijk bewustzijn, maar, wie weet, beschikken ook `lagere soorten' erover, zoals reptielen.

EIGEN

Zoals uit bovenstaand voorbeeld blijkt, onderscheidt Damasio in `Ik voel, dus ik ben', verschillende soorten bewustzijn, maar die allemaal gemeen hebben dat ze met zelfgevoel gepaard gaan: het besef dat waarnemingen onvervreemdbaar `eigen' zijn. Damasio denkt dat dit `gevoel' wordt veroorzaakt door het registreren van het organisme van de interne emotionele veranderingen die plaatsvinden als gevolg van reacties op externe gebeurtenissen. Hoe beter hij dat kan, hoe beter hij zijn individuele leven in stand kan houden, door adequaat op die externe prikkels te reageren.

Daarmee geeft Damasio eveneens antwoord op de vraag hoe dat zelfgevoel kan zijn ontstaan: namelijk doordat zich ergens in de evolutie voor organismen de noodzaak aandiende onderscheid te maken tussen de binnen- en de buitenwereld. Op dat moment ontwikkelde zich een soort `protozelf' als voorloper van het `kernbewustzijn' (kernzelf), dat weer de voorloper is van het `uitgebreide bewustzijn', met zijn autobiografische zelf. Volgens Damasio is het onderscheid tussen `binnen' en `buiten' volledig biologisch gefundeerd, waarbij dat `binnen' wordt gevormd door de regulatie van het interne milieu van het organisme, gericht op het instandhouden van het individuele leven als er `buiten' iets verandert.

Als dat volledig `onbewust en automatisch' gebeurt, dan is er sprake van een protozelf. Met de komst van de hersenen (bij meercelligen) kon dat onderscheid tussen `binnen' en `buiten' op den duur steeds beter gemaakt worden en het interne milieu steeds effectiever gereguleerd. En het gebeurde ook steeds bewuster, waardoor organismen steeds adequater op hun steeds complexer wordende leefomgeving konden reageren.

Dit is volgens Damasio dan ook het nut van bewustzijn: het helpt het organisme het hoofd te bieden aan externe veranderingen die niet in het elementaire bouwplan waren voorzien. Daardoor kan er ook worden overleefd in onvoorziene omstandigheden, waarmee de in het organisme vastgelegde automatismen geen raad zouden weten. Anders gezegd: het bewustzijn vergroot het bereik van het onbewuste systeem, dat zorg draagt voor automatisch gereguleerde reacties. Dat lijkt bijna een open deur, maar dat is het niet. Er zijn nog steeds filosofen en wetenschappers die menen dat het bewustzijn een nutteloos bijverschijnsel is, dat er voor de totstandkoming van gedrag niet toe doet. De consequentie van het idee dat bewustzijn nut heeft, ja, dat het zelfs een tamelijk belangrijke tool is, is dan ook dat vrijwel alle organismen er in meer of mindere mate over moeten beschikken. Damasio is daarmee een typische vertegenwoordiger van wat je de `gradualistische' of `relativistische' stroming zou kunnen noemen: het bewustzijn bevindt zich in een continuüm, dat loopt van heel weinig bewustzijn tot heel veel bewustzijn. Een principieel onderscheid tussen bijvoorbeeld kern- en uitgebreid bewustzijn kan volgens deze opvatting niet worden gemaakt. En ook heeft ieder type bewustzijn weer zijn eigen gradaties.

APEN EN HONDEN

Damasio schrijft het `uitgebreide bewustzijn' niet alleen aan mensen toe, ook apen en honden beschikken er wat hem betreft over. De essentie van dat `uitgebreide bewustzijn' is volgens Damasio het `autobiografische zelf', dat bij die organismen ontstaat die over een omvangrijk geheugen beschikken. Zij herinneren zich daardoor gebeurtenissen uit het verleden, zij ervaren het nu àls nu, terwijl er uit dat verleden en het nu een toekomst kan worden geconstrueerd. Als aan deze voorwaarde is voldaan, dan beschikt het organisme in principe over een `uitgebreid bewustzijn'. Een beetje schoorvoetend erkent Damasio wel dat de mens er zoveel van heeft, dat hij `op eenzame hoogte' staat: bij hem heeft dat uitgebreide bewustzijn namelijk het geweten mogelijk gemaakt, waardoor er in ethische termen kan worden gedacht. De mens is daarmee in staat boven het dictaat van het onmiddellijke voordeel uit te stijgen. Op dit punt gaat Damasio wel wat kort door de bocht, want kan dat geweten niet een gecultiveerde vorm van de emotie `schaamte' zijn, een emotie die ook bij chimpansees is waargenomen? Zelfs die `eenzame hoogte' wordt dan weer een relatief verschil (zie bijvoorbeeld het boek `Good natured' van primatoloog Frans de Waal).

Heeft Damasio het bewustzijn nu verklaard? Niet in de zin dat nu duidelijk is wat de causale relatie is tussen hersentoestand A en voorstelling B; hij zal de New Mysterians niet tevreden hebben gesteld. Wel biedt Damasio een plausibele verklaring voor hoe bewustzijn evolutionair kan zijn ontstaan en dat het, eenmaal ontstaan, nuttig is voor het desbetreffende organisme.

Bewustzijn is het gevoel dat ontstaat bij het aanbrengen door het organisme van een scheiding tussen `binnen' en `buiten'. Daarmee is bewustzijn in de eerste plaats 'zelfgevoel als een natuurlijk aspect van het leven van een lichamelijk wezen. Door het zo te stellen komt zelfs de noodzaak van de (door materialisten) gestelde vraag te vervallen hoe neuronen bewustzijn genereren. Bewustzijn valt samen met het organisme. En is daarmee een onherleidbare eigenschap vàn dat organisme.

Dat het vraagstuk van het bewustzijn niettemin zoveel filosofisch getob oplevert (en het jongste nummer van Wijsgerig Perspectief is daar weer een bewijs van), komt volgens de Belgische analytische filosoof Stefaan Cuypers (in een fraai essay `Stoffige geesten', Uitg. Peeters, Leuven, 1997) doordat zowel de dualist als de materialist de natuur als levenloze machine opvat. Dat betekent dat `geest' dan verklaard moet worden úit die levenloze machine. De dualist maakt de geest van de weeromstuit dan maar bovennatuurlijk. De materialist tracht de geest juist te elimineren of weg te redeneren, omdat hij de wereld in louter fysische termen (oorzaken en wetten) wenst te beschrijven. ``Het komt er gewoonweg op aan', schrijft Cuypers, ``het filosofische onvermogen van beide posities (dualisme/materialisme) te overwinnen door de geest een natuurlijke plaats in het leven te geven.' En dat nu is precies wat Damasio heeft gedaan.

Wijsgerig Perspectief: Vijftig jaar Philosophy of Mind, 2001, nr 4.

Uitgeverij Boom. Prijs: ƒ20.-