Bescheiden burgers

In zijn jaarrapport 2000 constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat het ontzuilde Nederland een typisch voorbeeld is van een land waar relatief weinig mensen zijn georganiseerd binnen kerken, politieke partijen of vakbonden, maar waar tegelijkertijd een omvangrijke civil society bestaat een gemeenschap van bewuste burgers die zichzelf organiseren. De cijfers spreken voor zichzelf. Per duizend inwoners zijn er niet meer dan 19 lid van een partij. Maatschappelijke organisaties als Amnesty International en Greenpeace weten daarentegen 160 mensen per 1.000 inwoners aan zich te binden.

Maar deze getallen zeggen weinig over werkelijke betrokkenheid. Lidmaatschap van een vakbond is al niet hetzelfde als actieve participatie. Maar hoe diep gaat de jaarlijkse donatie aan een natuurbeschermingsorganisatie? Het aantal actieve leden van politieke partijen mag dan slechts een fractie zijn van de toch al geringe ledenaantallen, die zo breed gesteunde natuurorganisaties zijn in wezen ook strak geleide professionele instituten waarvoor de leden in de eerste plaats een bron van inkomsten zijn. Met andere woorden: de maatschappelijke participatie in Nederland is gedelegeerd.

In zijn oratie eind juni aan de Universiteit van Amsterdam noemde Jos de Beus, hoogleraar politicologie, dat `toeschouwersdemocratie'. ,,Politiek is helemaal beleid geworden'', aldus De Beus. Wat dat inhoudt is op diverse niveaus te aanschouwen. Het ideologisch geladen debat over fundamentele keuzes is grotendeels vervangen door vragen van organisatorische aard. Voordat de perspectieven aan de orde zijn, wordt er al over de middelen gesproken. Dat manifesteert zich niet alleen in het publieke domein. Ook in de particuliere en semi-openbare sector is `draagvlak' een toverwoord zonder doel geworden.

Nederland lijdt er overigens nauwelijks onder. Integendeel. De jaren van verdergaande depolitisering gingen gelijk op met voorspoedige economische ontwikkeling. De grijze paarse jaren waren economisch gezien vette jaren.

Kortom: is er eigenlijk wel een probleem? Niet als politiek wordt versmald tot optimalisering van welvaart. Wél als politiek beschouwd wordt als essentieel bestanddeel van burgerschap.

Nederland staat aan de vooravond van twee verkiezingen. In maart volgend jaar worden nieuwe gemeenteraden gekozen, twee maanden later volgen de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Alles wijst er op dat `de partij' van de niet-stemmers bij de raadsverkiezingen de grootste zal worden. En de kans is groot dat ook bij de Kamerverkiezingen de thuisblijvers het hoogste percentage zullen vormen. Partijen zullen niet alleen voor hun ideeën moeten werven, maar meer dan ooit hun reden van bestaan moeten uitleggen.

Het legitimatieprobleem van de politieke democratie wordt bij elke verkiezing groter. Dat geeft te denken, al is het geen louter Nederlands verschijnsel. In de Verenigde Staten kwam bij de presidentsverkiezingen van vorig jaar net iets meer dan de helft van de kiezers op, bij de Britse parlementsverkiezingen van dit voorjaar werd met een opkomst van 59 procent een diepterecord gevestigd. Deze desinteresse kan worden uitgelegd als een uiting van tevredenheid van burgers die formeel geen strobreed in de weg wordt gelegd, zoals voormalig VVD-leider Bolkestein ooit heeft betoogd. Langs deze lijn doorgeredeneerd, zou stemmen vooral moeten worden gezien als een vorm van klagen. Maar de periodieke gang naar de stembus zou toch meer moeten omvatten.

Het is in de eerste plaats de taak van politici de politieke keuzes duidelijk te maken. Dit vereist dat de blik allereerst op de samenleving wordt gericht en pas daarna op de haalbaarheid aan het Binnenhof. Nu is het precies andersom. Het politieke bedrijf dreigt zich zo te ontwikkelen tot een hoofd zonder lichaam. Een hoofd dat bij ernstige incidenten als in Enschede en Volendam vaak hardhandig door de burgers tot de orde wordt geroepen. Plotselinge vertrouwensbreuken zijn nooit uit te sluiten. Te vaak wordt vergeten dat vertrouwen dagelijks wordt verdiend, niet alleen met beleidsvoornemens, maar vooral ook door de uitvoering. Met name aan de uitvoering schort het. En dat werkt vervreemding nog meer in de hand.

Er zijn de afgelopen jaren diverse initiatieven genomen om de afstand tussen bestuur en burger te verkleinen. Vooral op het lokale niveau wordt driftig geëxperimenteerd met zogeheten `interactieve besluitvorming': een veredelde en gedigitaliseerde ideeënbus. In de politiek komt het erop neer dat gekozen bestuurders in een vroeg stadium hun alternatieven aan burgers voorleggen voordat ze zelf een keuze hebben gemaakt. Het leidt soms tot incidentele participatie, maar heel vaak ook tot inspraakrondes waarbij de professionele belangenbehartigers het gesprek domineren. Vervolgens is het toch weer aan de politiek om een keuze te maken, daarbij de insprekers die hun verlangens niet gehonoreerd zagen, gefrustreerd achterlatend.

Het veelbesproken Nederlandse poldermodel ademt de geest van een samenleving die tot in alle hoeken is doortrokken van redelijkheid. Maar schijn bedriegt. Veel ingewikkelde problemen, zaken waarover niet zo gemakkelijk overeenstemming is te bereiken, zijn onder het tapijt van de consensus geveegd. Onder een minder gunstig economisch gesternte, als problemen minder snel kunnen worden afgekocht, zullen die onopgeloste kwesties toch om een oplossing vragen. Dan gaat het niet langer om draagvlak, maar om échte politieke keuzes. Daarvoor is behalve redelijkheid ook durf nodig.

Op weg naar de verkiezingen zullen ongetwijfeld weer vele lansen worden gebroken voor een herstel van het primaat van de politiek en een actievere betrokkenheid van kiezers bij de uitvoerende macht. Talloze burgers willen ook deelnemen, mits ze niet op voorhand worden platgepraat door de professionele beleidsmakers die hun eigen agenda hebben, maar die liever niet openbaren. Hierin wringt 'm de schoen. In Alphen aan den Rijn bijvoorbeeld werden de kiesgerechtigden dit voorjaar verblijd met een stemkaart plus streepjescode waarmee ze een begrotingsoverschot van tien miljoen gulden konden besteden. Zo'n oplossing bevordert het democratische bewustzijn nou net niet. In een politieke democratie die Nederland nog altijd wil zijn, moeten de politici eerst verantwoording afleggen aan de burger. Niet omgekeerd.