1 De toekomst

Hoe zou mijn tuin er uitzien als er niet meer voor gezorgd werd? Welke planten zouden verdwijnen, welke overheersen?

Jarenlang, om in slaap te komen, wandelde ik rond in ons vroegere huis: beginnend bij de voordeur ging ik alle kamers door, inspecteerde de gordijnen, de vloerkleden, het meubilair, stelde vast welke boeken zich in welke kamers bevonden en waar bepaalde gebeurtenissen hadden plaatsgehad. Dat werkte zo goed dat ik meestal niet eens de trap bereikte; om in de slaapkamers te kijken moest ik daar ook beginnen. Ik kan mijzelf ook snel in slaap krijgen met mijn fietsroute naar school of het traject in Parijs van bus 68 van Trinité tot Vavin.

Maar waar het niet mee lukt is mijn tuin, hier en in de toekomst: het resultaat is dat ik rechtop in bed zit, klaarwakker en met wijdopen ogen. Tobben is dan de boodschap. Als ik denk aan onze oude appelboom met de enorme roos genaamd `Paul's Himalayan Musk Rambler', is wat mij overvalt niet een schoonheidservaring maar herinneringen aan iemand die mij vertelde dat zijn Himalayaklimmer de boom in feite gewurgd had. Alleen de roos was overgebleven, klimmend in zichzelf, in een kluwen over de grond. Het beeld van de onze, met zijn geur die in juni de tuin vult, met zijn massa's delicate roze bloemen, vermag niets tegen het visioen van die arme appelboom in Pauls dodelijke Himalayaanse omhelzing.

Dan komen de cyclamen, die na jaren van noeste arbeid de ruimte onder de beuk, waar niets anders wil groeien, vrijwel hebben opgevuld. Ik heb de zaailingen met de beste bladeren geselecteerd. In de herfst is het cyclamenbed een fantastisch gezicht, eerst met honderden bloemen, dan bedekt met elegant gemarmerde bladeren. Nu, in de zomer, is er niets te zien, alleen de ronde zaaddozen; maar wat het ervaren oog kan zien en ook onvermijdelijk ziet zijn de knollen die zich uitgezaaid hebben, onontwarbaar als breiwerk, bovenop hun voorouders, zoals een huwelijkstaart met verscheidene verdiepingen. Dat is een heel kortzichtige strategie van die planten, leidend tot de chaos die je vroeger wel op het Place de l'Etoile in Parijs kon zien, met auto's die allemaal van rechts kwamen en voorrang wilden, en aldus muurvast kwamen te zitten. Het ontwarren van die kleine knolletjes zonder hun wortels te beschadigen is precies zo'n nachtmerrie.

Wat zou er gebeuren als ik ze gewoon liet groeien? Bloedverwanten in Engeland met een groot cyclamenbed vinden zaailingen door hun hele tuin, dankzij muizen die, heel passend in Beatrix Potterland, uitzwermen naar alle kanten en het zaad verspreiden. Maar wij hebben geen muizen. Ik dacht altijd dat mijn cyclamen het eeuwige leven hadden, dat ze groter en groter zouden worden en zouden overblijven nadat de tuin was verwilderd. Maar nu ik dit gezien heb ben ik gaan twijfelen; ze zouden elkaar kunnen verstikken.

Wat zou overleven als ik de tuin aan zijn lot overliet, ik bedoel afgezien van Paul's muskuswurgmachine? De beuk zou het wel redden, tenminste zolang hij geen honingzwam kreeg, en zoals een beuk die ik gekend heb met een hoogwerker uit de tuin moest worden verwijderd. Aucuba's verkopen hun ziel aan de duivel, dat is bekend, zelfs als je ze dood wil maken leven ze door. Het gras op het gazon is allang weg, verdrongen door een zichzelf instandhoudend mengsel van mos en wilde pseudo-aardbeien, Duchesnea indica, die je kunt maaien als gras en er van een afstand gezien zelfs wat op lijkt.

Toen we hier kwamen wonen stonden er in de tuin, waar jarenlang geen zorg aan was besteed, totaal geen vaste planten, alleen een paar armoedige heesters: een sneeuwbes, een viburnum, een wanhopige rododendron – plus een stuk of wat door de wind gezaaide bomen, voornamelijk vlier. Eerst dacht ik dat dit bewees hoe sterk heesters zijn, later viel me in dat het ook kon betekenen dat er nooit vaste planten geweest waren. Met hartkloppingen plantte ik wat Euphorbia amygdaloides var. robbiae, er op voorbereid de plant alles meteen in bezit te zien nemen; deze euphorbia werd in mijn eerste tuinboek beschreven als een meedogenloze woekerplant, een genadeloze vernietiger van alle kruid en onkruid, een bedreiging voor alle fatsoenlijke medebewoners van de tuin. Maar hij heeft zich, misschien omdat hij hier alleen maar droge schaduw heeft om in te woekeren, altijd voorbeeldig gedragen.

Ik kan heel wat planten noemen die niet zouden overleven, de lijst is bijna eindeloos (mijn Macleaya's bijvoorbeeld: allemaal verdwenen). Maar nu, sinds ik terug ben van vakantie, weet ik welke plant het sterkst is en het best aangepast aan mijn tuin, de plant die alle andere er uit zou werken en een muur-tot-muurtapijt zou vormen als hij de kans kreeg. Het eerste wat ik deed was kijken hoe de tuin er bij stond; het was nog erger dan zo'n imaginaire wandeling: een van de grindpaden was helemaal groen, bedekt met zaailingen van Carex pendula. Het is de enige soort gras, in feite een zegge, die gedijt in droge schaduw. Hij groeit in grote pollen, met dramatische bloeiende halmen, wees gewaarschuwd.

De zaailingen zijn miniatuurversies, aanminnige plukjes gras die er uitzien alsof een kind ze had getekend. Er waren er niet alleen op dat pad, maar, zo bleek, overal: honderden, duizenden. Wanneer is dat gebeurd? Twee weken geleden waren ze er niet. De bloeiende halmen van de volwassen planten, gezien van zaaihoogte, zagen er plotseling nogal dreigend uit.

Tuinexperts lachen bij de woorden `instant gardening', immers niets in het tuinieren is instant. Maar dat is niet waar, rondkijkend zag ik dat de ouderplanten sinds vorig jaar tenminste in omvang waren verdubbeld.

Het was als iets dat je niet vaak gegund wordt: een blik in de toekomst. Het herinnerde me aan een prehistorische steencirkel in Ierland, die vol stond met riet. De mensen schromen om de aarde te verstoren binnen zo'n eeuwenoude ring; zo kun je daar zien welke plant overheerst.