Zoolganger

Rudy Kousbroek bespreekt deze zomer een aantal dierenfoto's. Deze week de zesde: hoe een beertje uitgroeit van knuffel tot wild dier.

In De dierenwereld van Insulinde van J.H. van Balen (circa 1917) wordt vermeld dat Raffles, de Britse Gouverneur-Generaal van Java, een beer had `welke vrij rondliep en niet het geringste kwaad deed'. `Hij kon zelfs in de kinderkamer gelaten worden en men behoefde hem nimmer aan een ketting te leggen of door slagen te straffen. Meer dan eens kwam hij zeer netjes aan tafel en vroeg om wat eten. Hij toonde zich dan een echte fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan manga's eten en niets anders dan champagne drinken wilde. Van dezen wijn was hij een hartstochtelijk liefhebber.(-) Iedereen in huis hield van hem en hij deed zelfs het kleinste dier geen kwaad.'

Ook wij hadden een tamme beer, ook hij mocht in de kinderkamer en ook van hem hield iedereen. Als ik zijn vacht op de foto zie, weet ik weer hoe die voelde, niet ruig maar als een Teddybeer; als het aan mij had gelegen had hij ook Teddy geheten, maar ik was op het internaat toen we hem kregen en mijn vader had hem Thor genoemd; maar zijn gebruikelijke roepnaam was Si Broeang (Maleis voor beer). Hij was kastanjebruin met een lichtgele snoet zoals Sumatraanse beren hebben, en dito vlekken op zijn borst, en hij kreeg geen champagne maar wel Venz' Gouden Stroop, elke dag een lepel, toegediend door mijn vader als hij 's middags uit de plantage kwam. Ook daarvan bestaat een foto, helaas bewogen en niet geschikt om af te drukken. Toen was hij nog erg klein. Hij was zindelijk, uit zichzelf voorzover ik weet, maar hij maakte wel veel rommel, voornamelijk als gevolg van zijn onstuitbare nieuwsgierigheid. Alles moest open.

Maleise beren staan bekend als `badoet' (potsenmaker), ze doen kunstjes uit zichzelf en lopen met groot gemak op hun achterpoten. Thor liep vaak aan de hand met mij mee, we waren dan ongeveer even groot; ook daar bestonden foto's van maar die zijn in de oorlog verloren gegaan. Klimmen kon hij ook goed, soms zat hij hoog in de bomen links op de foto, en als de raampjes van de auto niet dicht waren wist hij het portier open te krijgen en dan zag je Si Broeang achter het stuur zitten. Brommend: hij kon heel tevreden brommen, een bijna menselijk geluid dat iedereen ontroerde.

Maar hij werd steeds ongehoorzamer, en toen ik een keer met vakantie thuiskwam van het internaat begonnen mijn ouders mij al in de auto voor te bereiden: Thor was weg. Het ging niet meer, zei mijn vader, en daarom was hij naar de dierentuin in Medan gestuurd. `Daar heeft hij het ook heel goed.' Bij die woorden barstte ik in snikken uit.

Alle beschrijvingen stemmen overeen: `Jonge beren zijn heel tam te maken en aardige speelkameraadjes', schrijft H.C. Delsman in Dierenleven in Indonesië (1951), `maar oudere worden ongezeggelijk, brutaal en ten slotte zelfs gevaarlijk.' Bij Van Balen hetzelfde geluid: `Men treft den Maleischen beer in Indië zeer dikwijls in gevangenschap aan, zoowel bij Inlanders als bij Europeanen.(-) Lieden welke zich veel met jonge dieren bemoeien en ze steeds bij zich, ja zelfs in bed nemen, zooals b.v. met de njais of Indische huishoudsters dikwijls het geval is, krijgen ze zeer tam, zoodat zij op hun roepen uit den meest verwijderden hoek van het huis komen aanloopen, zich gaarne laten liefkozen en ook liefkoozingen beantwoorden.(-) Met den tijd, na ongeveer een jaar of langer, houdt zelfs bij de tamste dieren alle gedweeheid op. (-) Zij worden dan wel juist niet boozaardig, maar onverschillig, vreezen hun meester niet meer en geven niets meer om hun tehuis.'

Als wild dier was de Sumatraanse beer voor de bevolking vooral schadelijk. `Ook een suikerriettuin is voor hem een paradijs', schrijft Delsman. `Het is ongelooflijk, in hoe korte tijd een echtpaar een rietveld uitgezogen heeft. Ze breken hele bossen af, tassen die op elkaar en gaan er dan achterover op liggen.Eerst kneuzen ze al bijtend het riet, pakken het dan tussen voor- en achterpoten en wringen het zodanig uit, dat al het sap in de bek vloeit. Het knappen van het riet en het geslurp gaan daarbij vergezeld van een tevreden gebrom.'

Behalve die geluiden en de rugligging is vooral de verwijzing naar `een echtpaar' zo aandoenlijk, maar sommige verhalen zijn minder plezierig. Uit alle beschrijvingen komt de Sumatraanse beer naar voren als weliswaar niet agressief maar wel gevaarlijk als hij zich verrast en bedreigd voelt. `Abdoels vader', zo kan men lezen in Langs tijgerpaden van beroepsjager Denninghoff Stelling, `was door een beer gedood toen hij in het zware bos onder een dikke overhangende tak doorliep. De beer was wakker geschrokken, had de man beetgepakt, hem met de nagels van de achterpoten de ingewanden uit het lijf gescheurd en ten slotte de schedel tot moes gebeten, om er vervolgens luid gillend van angst vandoor te gaan.'

Ook volgens mijn kampvriend Si Boelé was de beer slimmer en moediger dan de tijger. Denninghof Stelling, die een hartverscheurend hoofdstuk aan de berenjacht wijdt, noemt ze `sportieve rakkers' (maar bij zoiets vraag ik mij altijd af of jagers dat nog zouden zeggen als de dieren ook geweren hadden).

In vergelijking met wilde dieren als de tijger, de krokodil, de buffel en de olifant, neemt de beer in het Indonesische bewustzijn niet een erg duidelijke plaats in. Ik hoorde als kind nooit verhalen waar hij een rol in speelde, zoals wel andere dieren, en ik ben nooit iets tegengekomen over de beer als mythisch dier, voertuig van de ziel, van de voorouders of iets dergelijks. Dat heb ik altijd gevoeld als bevreemdend: de beer is een dier dat veel op de mens lijkt, niet alleen omdat hij rechtop loopt (Delsman: `Die houding en zijn voetafdruk, die daar hij een zoolganger is iets menselijks heeft, hebben waarschijnlijk aanleiding gegeven tot verhalen over een zogenoemde orang pendek, een soort aapmens, op Sumatra'), maar ook omdat hij allerlei nogal opvallend menselijke gedragingen vertoont. En dan zwijg ik nog over de Westerse cultuur, waarin de beer zo ongeveer het meest vermenselijkte dier is, een soort vermomd kind, en het onderwerp van een omvangrijke literatuur.

Het zonderlinge is dat de Indonesiërs toch ook beren als huisdier houden (of hielden, toen ze nog niet uitgeroeid waren), zoals tot uiting komt in Van Balens sterk op de verbeelding werkende verhaal over de njais die jonge beertjes mee naar bed namen. Als ik in zo'n Indisch verband aan al deze dingen met betrekking tot de beer denk, overvalt me een groot gevoel van eenzaamheid die dieren die eerst zo dichtbij zijn, een substituut broertje zoals Si Broeang voor mij was, en dan als het ware verdwijnen in het niets, geen symboolfunctie krijgen en geen wortels in het bovennatuurlijke. Dieren die dan vreemdelingen lijken te worden in de mensenwereld.

Niet veel mensen in Nederland kennen de cartoons van Gary Larson, die vaak de meest onverwachte aspecten blootleggen van de relatie tussen mensen en dieren. Zo is er een cartoon van Larson (in de Gary Larson-kalender voor dit jaar op 4 oktober), voorstellend twee beren (een `echtpaar') verdwaald in een grote stad, iets als New York; ze staan daar hulpeloos op een druk kruispunt, onopgemerkt door de meeste voorbijgangers. De ene beer zegt tegen de andere: `Well, we're lost.. and it's probably just a matter of time before someone decides to shoot us.'

Dat treft mij als van een grote symboliek en diepte. Ach, dat echtpaar, die twee arme beren die daar staan, ze zijn niet te helpen.