Toen was geluk ook al heel gewoon

Onder cultuurhistorici was het een tijdje in zwang om te benadrukken hoe `anders' mensen vroeger waren. Zo zou `het kind' als zodanig pas laat zijn ontdekt, evenals `het individu' of `het gevoel'. Twee studies over weduwen en het gezin laten zien dat mensen ook vroeger echt mensen waren.

Was een zeventiende-eeuwse Nederlander een ander mens dan wij? De wereld waarin hij leefde was een andere. Ook de taal die hij sprak en zijn denkwereld staan ver van ons af. Maar waar houdt dat `anders-zijn' op? Voelde hij hetzelfde? Hoe beleefde hij verliefdheid of rouw?

Dit zijn zulke elementaire, bijna kinderlijke vragen, dat historici ze zelden hardop stellen. Toch staan ze vaak centraal in historische vraagstukken. Een klassiek debat in de vrouwengeschiedenis gaat bijvoorbeeld over de vraag of moederliefde universeel is en eeuwig, of tijdgebonden en cultureel bepaald.

Volgens historicus Steven Ozment, specialist in de geschiedenis van het West-Europese gezin tussen 1500 en 1800 aan Harvard University, lijken onze voorouders precies op ons. In het eerste hoofdstuk van Ancestors, The Loving Family in Old Europe, zet hij zich fel af tegen de klassieke gezinshistorici die ervan uitgingen dat affectieve relaties tussen ouders en kinderen, en tussen mannen en vrouwen, pas in de loop der eeuwen zijn ontstaan. Ergens in de duistere middeleeuwen zou het gezin een functionele economische eenheid zijn geworden, gericht op voortplanting en overleven. Het kind was nog niet `ontdekt': onder de zeven jaar telde het niet mee, daarna was het een kleine volwassene die moest werken voor de kost. Door de grote maatschappelijke ongelijkheid tussen mannen en vrouwen en het ontbreken van een scheiding tussen werk en privé, om maar enkele redenen te noemen, was er geen ruimte voor emotionele intimiteit binnenshuis.

Deze historici hadden ook een serie verklaringen voor de `emotionalisering' die zich in de afgelopen vijf eeuwen zou hebben voorgedaan: de opkomst van het protestantisme, de toenemende scheiding tussen het openbare leven en het privé-leven, het werken buitenshuis, het verdwijnen van personeel uit het huishouden, de uitbreiding van het onderwijs, enzovoorts. Over de vraag wanneer je nu precies kunt spreken van een `modern' gezin is flink geredetwist. Volgens de ene historicus was het burgerlijke gezin in de zeventiende eeuw al in grote lijnen modern, volgens de andere ontstond het gezin in die vorm pas na de Verlichting. Algemeen werd aangenomen dat de elites voorop liepen. Vrouwen uit de arbeidersklasse legden hun kinderen immers nog tot in de negentiende eeuw regelmatig te vondeling.

Flauwekul

Volgens Ozment is het `anders-zijn' van onze voorouders schromelijk overdreven. Het negatieve beeld van het verleden, als een tijd gevuld met tirannieke patriarchen, verwaarloosde kinderen die nooit kind mochten zijn, en vrouwen die als een soort broedmachines werden gebruikt, moet flink worden genuanceerd. Ook het idee van een voortschrijdende `emotionalisering' is volgens Ozment flauwekul. Een liefdeloos gezin heeft als instituut nooit bestaan. Ouderlijke zorg voor kinderen, die zich uitte in de opvoeding, alsmede bewijzen van wederzijds respect en genegenheid tussen echtelieden, zijn ook in het middeleeuwse Europa te vinden.

Ozment schrijft dat vrouwen en kinderen destijds lang niet zo barbaars werden behandeld als in hedendaagse ogen lijkt. Dat vrouwen maar weinig in erkende beroepen werkzaam waren, wil niet zeggen dat ze zich niet konden ontplooien. Juridische ongelijkheid viel in het dagelijks leven wel mee, en gewoontes als het bakeren van kinderen of het uitbesteden van kroost bij minnen hoeven niet te worden geïnterpreteerd als tekenen van liefdeloosheid. Integendeel, ouders deden dat met de beste bedoelingen en gezien de omstandigheden was het vaak ook het beste wat ze konden doen. Bakeren is tegenwoordig trouwens weer helemaal in de mode.

Exotisch

Dit lijkt misschien een schokkende revisie van ons beeld van het verleden, maar voor wie een beetje thuis is in de gezinsgeschiedenis vertelt Ozment niets nieuws. Er wordt voortdurend gezinshistorisch onderzoek gedaan dat het negatieve beeld van het verleden nuanceert. Toch eindigt Ozment in het laatste hoofdstuk met een preek aan het adres van zijn collega`s: zij beschouwen onze voorouders nog steeds ten onrechte als een exotische soort. Dat komt volgens Ozment doordat ze te weinig gebruik maken van familiearchieven, vooral vanpersoonlijke brieven en dagboeken. Juist uit dit soort teksten put hij zelf de bewijzen dat er wel degelijk intieme relaties bestonden binnen het gezin.

Prachtig zijn de achttiende-eeuwse brieven die hij citeert van bezorgde vaders aan hun puberzonen in een vreemde studentenstad. Maar als illustratie bij zijn betoog zijn ze helaas ook problematisch: het probleem van het bestaan van affectieve ouder-kind-relaties gaat natuurlijk niet over deze studerende zoontjes en hun corresponderende vaders in de achttiende eeuw, maar juist over de minderbedeelden en de nog eerdere periodes.

Opmerkingen over het elitaire en niet represenatieve karakter van dit soort bronnen wuift Ozment weg als gezeur: `Dan kun je net zo goed zeggen dat je eerst de hele oceaan moet drinken voordat je kunt vaststellen dat het water zout is.' Een grappige maar onzinnige vergelijking. Vroegere samenlevingen zijn wat minder homogeen dan de zee, en er valt over die zee ook wel wat meer te weten dan dat ze zout is.

Men leze bijvoorbeeld het proefschrift van Ariadne Schmidt, Overleven na de dood. Weduwen in Leiden in de Gouden Eeuw, dat van een grote ambachtelijke degelijkheid is en ook nog leuk om te lezen. De doorsnee Leidse weduwe, die arm was of in het beste geval het hoofd boven water wist te houden, schreef geen brieven of dagboeken. De enkele brieven die Schmidt wel vond, beschrijven rouwgevoelens in typisch zeventiende-eeuwse formuleringen.

De troostbrieven van verwanten vertelden hoe de weduwe zich moest gedragen: vroom, berustend en standvastig in gepaste rouw die niet te lang moest duren, maar ook niet te kort. Het verdriet moest worden ingetoomd, want te grote droefenis was ongezond. Wie in zulke brieven op zoek gaat naar de allerindividueelste, oorspronkelijke gevoelens, moet tussen de regels kunnen lezen en over een rijke verbeelding beschikken.

Ariadne Schmidt heeft het praktisch gehouden en is vooral op zoek gegaan naar de dagelijkse realiteit waar vrouwen na het overlijden van hun echtgenoot mee te maken kregen. Zeker dertien procent van de Leidse huishoudens in 1622 had een weduwe aan het hoofd. In afzonderlijke hoofdstukken beschrijft Schmidt de positie van weduwen op juridisch, sociaal en economisch gebied. Buitenlandse bezoekers verbaasden zich steevast over de grote vrijheid die Hollandse vrouwen genoten. Zij bestierden niet alleen het huishouden naar eigen goeddunken, maar bemoeiden zich vaak met de zaken van hun man of ze dreven eigen handeltjes.

Arbeid

Voor een deel zijn het onuitroeibare clichés. Gehuwde vrouwen stonden in de zeventiende eeuw net als elders onder voogdij van hun man. Pas na diens overlijden werden ze handelingsbekwaam. Vaak konden ze dan voor het eerst in hun leven beschikken over hun geld en goed, zelfstandig rechtshandelingen verrichten en deelnemen aan het economische verkeer. Weduwen die altijd al werkzaam waren in het ambachtelijk bedrijf van hun man, kregen na zijn dood vaak toestemming om het bedrijf voort te zetten.

Vooral het hoofdstuk over arbeid laat zien hoe actief vrouwen waren in een scala van beroepen en bedrijfstakken. Bij nadere beschouwing blijkt hun positie vaak heel afhankelijk. De meeste vrouwen verrichtten in loondienst meestal ongeschoold en slecht betaald werk. Na de dood van hun man bleek het voor een zeer groot deel van de vrouwen uit de middengroepen niet mogelijk om hun gezin volledig te onderhouden.

In Overleven na de dood wemelt het van de vrouwen die stappen ondernemen om zichzelf en hun kinderen te beschermen tegen armoede en het verlies van een goede naam. Met citaten uit de talloze verzoeken waarmee ze de Leidse overheid bestookten, geeft Ariadne Schmidt een levendig beeld van deze vrouwenlevens. Om hun gezin te redden van de ondergang moesten ze zakelijk en nuchter zijn, en onvoorstelbaar hard werken. Hun diepste gevoelens, zelfbeeld en wereldbeeld mogen dan verborgen blijven, zonder liefde ging dat vast niet.

Ariadne Schmidt: Overleven na de dood. Weduwen in Leiden in de Gouden Eeuw. Prometheus/Bert Bakker, 336 blz. ƒ49,50

Steven Ozment: Ancestors.

The Loving Family in Old Europe. Harvard University Press, 162 blz.

ƒ46,85 (pbk), ƒ85,50 (geb.)