Palestijns bestuur verdient plaats als gelijke partner

De langdurige vakantie van president Bush op zijn ranch in Texas is een signaal. Het Amerikaanse staatshoofd laat zich niet leiden door de waan van de dag en de crisis van het moment. Hij heeft zijns gelijke diep in de ogen gekeken, gezien dat het goed was en geniet van een welverdiende rust. Ministers Powell (Buitenlandse Zaken) en Rumsfeld (Defensie) bekommeren zich intussen om de internationale betrekkingen en de veiligheid van het land, terwijl veiligheidsadviseuse Rice van tijd tot tijd een soundbite de wereld instuurt. Gewelddadige oprispingen zoals die in Macedonië en op de Westelijke Jordaanoever zijn een zaak van andere instanties: in Macedonië vooral de NAVO, op de Jordaanoever de CIA. Bij ontstentenis van een plan voor `hoe het nu verder moet met het vredesproces' heeft de inlichtingendienst de taak gekregen althans een tripartiet gesprek over (de beteugeling van) het wederzijdse geweld op gang te houden. Dat gesprek is inmiddels zelf instrument van onderlinge pressie geworden. De Palestijnen willen geen ontmoetingen meer zolang de moordaanslagen voortduren.

Met de liquidatie van (vermeende) leiders van het Palestijnse terrorisme heeft Israël zich ver verwijderd van de inzet van het vredesproces: land voor vrede. Het probleem met deze inzet was van het begin af dat weggegeven land moeilijk kan worden teruggenomen en vrede iedere dag moet worden waargemaakt. Een probleem dat ex-premier Barak een jaar geleden in Camp David dacht te kunnen oplossen met zo vérgaande concessies dat niemand meer aan de vredeswil van Israël kon twijfelen. Baraks gebaar overtuigde nagenoeg iedereen, bemiddelaar Clinton voorop, maar miste zijn doel. Voor tegenspeler Arafat was het niet genoeg. Wat weer leidde tot de gevolgtrekking dat Arafat óf zijn beste kans had gemist, óf niet te goeder trouw was geweest. De laatste conclusie heeft Barak nu tot de zijne gemaakt. Vandaar zijn advies aan opvolger Sharon: trek een grens waarachter het joodse volk de komende generaties veilig kan leven.

Deze raad is ongeveer het tegenovergestelde van wat het vredesproces beoogde. Daarin werd er vanuit gegaan dat de twee volken in de smalle strook tussen de Jordaan en de zee slechts via een modus vivendi konden overleven. Ervaringen opgedaan tijdens de eerste intifada en de tweede Golfoorlog stimuleerden Palestijnen en Israëliërs tot geheime onderhandelingen die in 1993 in Oslo uitmondden in een gezamenlijke beschrijving van de route waarlangs een duurzame vrede moest worden bereikt. Die route is een doodlopende weg gebleken.

Maar `Oslo' kwam niet uit de lucht vallen. Het credo `land voor vrede' ging terug tot Israëls veroveringen tijdens de Zesdaagse Oorlog van juni 1967: de Westelijke Jordaanoever (op Jordanië), de Sinaï (op Egypte) en de Golanhoogvlakte (op Syrië). In resoluties van de Veiligheidsraad werd Israël vervolgens opgeroepen bezette gebieden te ontruimen. Een woordenstrijd ontstond over de vraag of `bezette gebieden' of `de bezette gebieden' was bedoeld. In het eerste geval kon er worden onderhandeld (land voor vrede), in het tweede geval had Israël niets te kiezen.

Pas na nog een oorlog, de Oktoberoorlog van 1973, koos Egypte voor vredesonderhandelingen. President Sadat had geprobeerd de Sinaï te heroveren, tevergeefs, ondanks grootscheepse hulp van de Sovjet-Unie, zijn voornaamste wapenleverancier. Sadat ging om, accepteerde Amerikaanse bemiddeling, bracht in 1977 een dramatisch bezoek aan Jeruzalem en ondertekende een jaar later in Camp David een overeenkomst die voorzag in teruggave en demilitarisering van de Sinaï en in normalisering van de betrekkingen tussen Egypte en Israël. Sindsdien scheidt een 300 kilometer brede bufferzone de strijdkrachten van beide landen. Het enige andere Arabische land dat vervolgens voor vrede koos, was Jordanië. Koning Hussein gaf Jordanië's claim op de Westelijke Jordaanoever op wat de weg vrijmaakte voor onderhandelingen tussen Israël en de Palestijnen. In het spoor van `Oslo' keerde Arafat met zijn getrouwen terug naar de Westbank en de Gazastrook om daar de Palestijnse Autoriteit te vormen, een autonoom bestuur te installeren en onderhandelingen met Israël over verdere `vertrouwenwekkende maatregelen' voort te zetten. Het vredesproces was een feit.

De formule `land voor vrede', succesvol in de relatie met Egypte, heeft uiteindelijk in de betrekkingen met de Palestijnen niet het gewenste resultaat opgeleverd. Over de status van Egypte, een soevereine staat, was geen twijfel mogelijk. Maar de status van Arafats Autoriteit heeft Israël bewust vaag gehouden, evenzeer als wat een uiteindelijk vredesverdrag zou moeten omvatten. Belangrijke elementen als de status van een Palestijns territoir, de onderlinge grens, de status van Jeruzalem en van de heilige plaatsen en eventuele repatriëring van Palestijnse vluchtelingen bleven openstaan tot het finale statusgesprek dat, zonder voldoende voorbereiding, in acht dagen tijd zijn beslag moest krijgen.

De pressie van de omstandigheden was groot. Bemiddelaar Clinton wilde succes binnenhalen voor de presidentsverkiezingen van begin november. Barak zag de steun van het thuisfront voor het vredesproces met de dag afkalven. Alleen Arafat had alle tijd. Hij was tegen zijn zin in Camp David verschenen en kwam tot de conclusie dat het aanbod van Barak, hoe vérgaand ook in Israëlische en Amerikaanse ogen, onaanvaardbaar was voor zijn achterban. De bewust opgevoerde tijdsdruk keerde zich tegen de kansen op een vergelijk. Een `alles-of-niets'-situatie ontstond en het werd `niets'.

Een fort Israël, zoals Barak dat nu voorstelt, is geen reële optie. Een `veilige grens' is niet te trekken. Israëliërs en Palestijnen zijn tot elkaar veroordeeld en zij beseffen dat, ondanks de dagelijkse geweldsuitbarstingen over en weer. Praten over die uitbarstingen heeft geen zin, zolang er geen zicht is op een wezenlijke hervatting van het vredesoverleg. De eis van een geweldloze pauze alvorens partijen terugkeren aan de onderhandelingstafel vergroot slechts de impasse. `Land voor vrede' is nog steeds een zinvolle doelstelling, maar dan moeten gemaakte fouten niet worden herhaald. Om te beginnen zal Israël de Palestijnse Autoriteit als een gelijkwaardige partner moeten aanvaarden zoals het dat met Egypte heeft gedaan. De in Camp David opengebleven vragen zullen ook dan niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. Maar de Palestijnse identiteit zal gegeven zijn en kan niet langer afhankelijk worden gemaakt van de voortgang van, inderdaad, het vredesproces.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.