Meeldauw, een plaag of niet?

Boeren en tuinders mogen binnen enkele dagen 16 bestrijdingsmiddelen niet langer gebruiken. Voor de een is dat een ramp, voor de ander maakt het niet uit.

Bij aardbeienteler Frans van Beerendonk in het Brabantse Best staat een groot veld met oranje afrikaantjes in bloei. De bloemen, ook wel stinkjuffertjes genoemd, weren aaltjes, zodat de beestjes volgend jaar geen problemen geven voor de aardbeiplantjes. Een paar jaar geleden zou Beerendonk nog voor een economisch rendabel gewas hebben gekozen, waarschijnlijk maïs. Maar door afrikaantjes te planten, en daarbij aan enkele andere milieu-eisen te voldoen, komt Van Beerendonk in aanmerking voor de `groene braak'-regeling.

Maar de meeste problemen die hij tegenkomt, lost hij op met traditionele middelen. Met chemische bestrijdingsmiddelen dus. Beerendonk:,,Het is niet goed voor het milieu, maar het milieu wordt ook niet onevenredig geschaad. In het verleden zijn er heel verkeerde dingen gebeurd met giffen. Maar die misstanden hebben we in samenspraak met de overheid geprobeerd op te lossen. Dat is ten dele gelukt en ten dele ook nog niet.''

Van Beerendonk zegt niet te weten hoe hij zijn bedrijf rendabel kan houden zonder de middelen te gebruiken die nu door het ministerie zijn verboden. De grootste bedreiging voor hem is meeldauw. Deze roodbruine schimmel verspreidt zich over het blad. Daardoor is deze niet meer groen genoeg, en het is het groen dat het zonlicht omzet in suikers. En penconazool helpt tegen meeldauw. Van Beerendonk pakt een plantje van de stellage met de aardbeiplanten waarvan gedurende het seizoen de aardbeien worden geplukt. Enkele blaadjes hebben een roodbruine aanslag. Van Beerendonk: ,,Het valt nu nog mee. Maar als ik nu stop met bestrijden, heb ik voor de rest van het seizoen, dat van half juni tot eind september loopt, de helft minder opbrengst.''

Rutger Murray heeft nauwelijks last van meeldauw. Hij teelt op biologische wijze aardbeien op zijn boerderij in Lelystad, en heeft daarnaast nog andere gewassen zodat zijn velden afwisselend bebouwd worden. De belangrijkste reden dat de schimmel bij hem nauwelijks vat krijgt op de aardbeiplanten, is volgens hem dat zijn seizoen korter is. Van Beerendonk heeft planten in een koelcel, en zet deze gedurende het seizoen op stellages. Murray heeft de planten op de volle grond staan, en ze rijpen allemaal in dezelfde paar weken. Murray: ,,Hooguit heb ik aan het einde van het seizoen een beetje last van meeldauw, maar dat is dan geen probleem meer.'' Het seizoen van Murray is intussen afgelopen.

In de biologische landbouw worden helemaal geen chemische middelen gebruikt. Murray: ,, Als er een ziekte of een plaag is, is er niets meer dat wij kunnen doen. Maar door onze manier van werken komt zoiets nauwelijks voor.''

Bij een monocultuur met bestrijdingsmiddelen ligt dat volgens de biologische boer anders. Murray: ,,Dat is een volkomen steriele omgeving. Als daar ook maar een speldenknop schimmel bijkomt, is het direct raak. Bij mij komen altijd schimmels voor, ook minder schadelijke. Die houden andere schimmels weer in evenwicht. Mijn gewassen zijn van nature weerbaarder.''

Eén ding hebben Van Beerendonk en Murray wel gemeen, en dat is hun inschatting van de consument. Van Beerendonk: ,,Ik produceer nu onder het milieukeurmerk, maar ik vang er in Nederland geen cent extra voor. De meeste van mijn aardbeien gaan nu naar Engeland, waar ze wel bereid zijn wat meer te betalen voor verantwoord geproduceerd voedsel.''

Ook Murray signaleert dat het de Nederlandse consument maar weinig interesseert hoe zijn voedsel wordt verbouwd.