Het vol bouquet der woorden

In een serie recensies van boeken die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven deze week N.E.M. Pareau: `Sonnetten & andere gedichten, & proza'; J.C. Noordstar: `De Zwanen & andere gedichten, & proza'; Rudolf Escher & Reinold Kuipers: `J.C. Noordstar, N.E.M. Pareau & Ebenhaëzer. Een album'. (Querido, Drie delen in cassette. 80, 72 en 72 blz. ƒ85,-)

In een stille uithoek van de Nederlandse poëzie bevinden zich al meer dan een halve eeuw lang twee kleine, nauwelijks gelezen oeuvres: die van J.C. Noordstar en N.E.M. Pareau. Wonderlijke oeuvres, waarin om te beginnen wonderlijke woorden en wendingen voorkomen, van licht archaïsch tot ruw spreektalig en van parmantig rococo tot boers en plat. Bij Pareau `dwaalt men door de stammen slenterender schrede' bijvoorbeeld, of zien we een ros in een `vochtig bosch voortsnellen door 't struweel', en het dier doet dat `cierlijk'. Bij Noordstar glijdt gravin Emeralda door haar palazzo, al is nog niet alles gereed `om vanavond de cercle te ontvangen.' Maar het gaat er ook over `de witte poddings' van Koos Boekhold, over plasbui en bakui en over `de zondagse braadlucht van zware vette karbonaden', en over ons' Henk, die pas soldaat is, ja, in Assen. Het vers over ons' Henk begint met de gouden regel: `Trara, trara (hoornsignalen)'.

Zo begint een ander gedicht van Noordstar: `Mijn nagels zijn lacquées en ruiken naar kauwgom, / 't zijn roze meertjes in het bos van Vincineau.' Fraai gezegd, al valt de kauwgom wellicht wat uit de toon. Het vers vervolgt eerst nog geheel in stijl, om dan opeens te gaan huppelen: `de zwanen drijven rustig en hebben er geen erg in / hoe ginder over 't hekje springt de koe.' Typische overgang voor Noordstar, en ook voor Pareau: zorgvuldig en precies, op het nuffige af, maar ook op het juiste moment overstappend op een ander, luchtiger register – met een levendig, vaak humoristisch effect.

Er spreekt een grote liefde voor taal en talen, en een groot gevoel voor stijl en stijlen uit deze poëzie, en een groot verlangen naar `het vol bouquet der woorden', zoals het bij Pareau heet. De spelling is eigenzinnig, de zinsbouw grillig. Iedere regel is bijzonder, iedere wending overdacht. Het geheel mag op het eerste gezicht misschien een kunstmatige indruk maken, maar die indruk wordt steeds weer verstoord door achteloze ontsporingen en vervormingen, vooral bij Noordstar. Bijvoorbeeld zo, als hij zeggen wil dat iedereen weer aan het werk ging: `en ieder toog weer aan zijn, wij gaan aan 't werk, / zij gingen aan 't werk weer, maar ieder denkt [...].' Of in een vrolijke uitroep, bij een wandeling in de vroege lente: ` 't is prille voorjaar, ja, dat is 't, dat is 't, dat is 't.'

Anderhalve bundel

Twee wonderlijke dichters, met twee wonderlijke oeuvres. Nog wonderlijker: dat ze nog zoveel meer gemeen hebben. Allebei pseudoniemendragers: J.C. Noordstar was in het dagelijks leven A.J. P. Tammes (1907-1987) en N.E.M. Pareau heette officieel H.J. Scheltema (1906-1981). Allebei student in de rechten, en lid van het corps, in Groningen, in de jaren twintig. Ze richtten samen de kleine uitgeverij Ebenhaëzer op. Ze schreven ieder maar anderhalve bundel. Noordstar schreef De Zwanen (1930) en Pareau schreef Sonnetten (1941) en samen schreven ze Argos en Arcadia (1935).

Ze hadden er veel plezier in hun namen te verwisselen, met allerlei mystificaties en speculaties tot gevolg. En ze hadden er allebei geen moeite mee om rond hun dertigste de poëzie weer snel vaarwel te zeggen en te kiezen voor een wetenschappelijke carrière. Na de oorlog werden ze onder hun eigen naam hoogleraar, in het Romeins recht in Groningen (Scheltema) en in het internationaal recht in Amsterdam (Tammes).

Bij al die overeenkomsten zijn er wel lichte verschillen op te merken, uiterlijk en in temperament. De poëzie van Noordstar is gevarieerder, met allerlei vormen en allerlei genres, met veel brede regels en nonchalant parlando, terwijl Pareau meer de dichter van de strakke regelmaat en de vaste versvorm is. Maar verder treffen toch vooral de overeenkomsten. Een gelijke geestesgesteldheid, moeilijk te vatten, tussen ernst en spel in: met een hang naar stille afzondering en idylle, maar ook naar wrange humor en ironie. Een heel eigen stilistisch mengsel, niet goed met andere dichters te vergelijken: geraffineerd en naïef, kunstmatig en gevoelig. Het is, lijkt mij, bij uitstek poëzie van jonge, beginnende dichters, die nog niet echt gekozen hebben en voor wie alle mogelijkheden nog open liggen. Onbevangen, ongelijksoortig, met de geest van een nieuwe lente – en een nieuw geluid.

Uraten

Nog wonderlijker, welbeschouwd, dat Pareau en Noordstar sinds de jaren dertig alleen in zo kleine kring zijn gelezen. Pareau heeft nog enige bekendheid verworven met zijn weinig representatieve, licht studenteske vers Voorval, waarin verhaald wordt van Hugo die in de trein, een kwartier na het verlaten van station IJmuiden – Oost, al zo'n hevige aandrang voelde, ten gevolge van het eerder genoten bier, dat hij besloot `zijn uraten' te lozen, en wel `door het ontslotene portier' – tot groot vermaak van zijn medereizigers.

Noordstar is nog wel eens in bloemlezingen te vinden met De Zwanen, een lang en breed uitwaaierend vers over hoe het leven van de dichters (de zwanen) er eigenlijk uit zou moeten zien: `De Zwanen moesten zonder zorgen kunnen leven, / en 's morgens voor een hoog raam zitten, / wijl hun blik weidt over `t bos- en heuvelrijk' Italia.' En zo verder. Maar eigenlijk is bijna alles van Pareau en Noordstar goed, en geestig, en nog steeds even fris en levendig als toen het werd geschreven.

Hun verzamelde werken zijn nu door Reinold Kuipers bijeengebracht in twee mooie, dunne, steenrode gebonden deeltjes, gestoken in een stevige schuifdoos. Daarin past ook een derde, donkerbruin, deeltje, waarin een liefdevolle verantwoording (van Rudolf Escher) is opgenomen, en enkele al even liefdevolle toelichtende stukken en bibliografieën van Reinold Kuipers. Prachtige uitgave, prachtig vormgegeven, met als enige bezwaar dat het bij elkaar haast te mooi, te degelijk en te zwaar is voor deze lichte poëzie, waarin nog steeds de geest van lente en liefde waait. `'t Is prille voorjaar, ja, dat is 't, dat is 't, dat is 't.'