Genadig is het gras

Grasvlaktes stonden ooit garant voor mobiliteit en vrijheid, een ervaring die volgens sommige ecologische auteurs stamt uit de tijd dat de mens het bos verruilde voor de savanne. Landbouw en veeteelt hebben de vlaktes nu ingrijpend van aangezicht veranderd, maar romantici horen nog steeds de lokroep van het gras.

De Amerikaanse dichter Walt Whitman schreef zijn beroemdste werk, Leaves of Grass (1855), als een ode aan zijn jonge, dynamische vaderland. Levenslustig, onstuitbaar groeiend gras was een geschikte metafoor voor de ijver, vrijheid en ondernemingslust van de prille natie. Alleen, Whitman had de eindeloze grasvlaktes van het Amerikaanse Westen nooit met eigen ogen gezien. Toen hij die kans kreeg, op een treinreis naar Denver aan de voet van de Rocky Mountains, was hij zo geschokt door de lege, troosteloze prairie, dat hij voorstelde het gebied ten westen van de Missouri zo snel mogelijk vol te planten met bomen en boeren, om er toch nog iets van te maken.

Niet iedereen houdt van the Great Plains. Of van gras, trouwens.

De ecologische journalist Richard Manning wèl. De anekdote over Whitman komt uit Mannings apologie voor de bedreigde Amerikaanse prairies, Grassland (1995), een moderne klassieker. Het boek bevat meer dan feiten en reportage - het is een hartekreet. `We zijn allemaal schepselen van het gras', schrijft Manning. Telkens als hij de vergezichten van het grasland bewondert, slaat een gelukzalige rush of freedom door hem heen. Het golvende groene land roept een `diepe raciale herinnering' in hem op, aan de tijden dat Homo Erectus vrijuit over de Afrikaanse savanne zwierf, waar hij vijanden en prooi van kilometers afstand kon gadeslaan. Mobiliteit en vrijheid werden zo de toverwoorden van het grasland, en zij verklaren volgens Manning de fascinatie van de moderne stadsmens voor nomadenvolken als de Amerikaanse prairie-indianen.

Er was een keerzijde aan het groene geluk. Mannings boek is ook een uitstekend onderbouwde filippica tegen de ravage die de intensieve landbouw en veeteelt op het Amerikaanse grasland hebben aangericht. In nauwelijks een eeuw hebben ze de prairies van het mid-Westen en een deel van de westelijker gelegen Great Plains herschapen in wat de vroege kolonisten nog ten onrechte meenden dat het was, een dorre woestenij. En er is meer verloren gegaan. `Ik geloof', schreef Manning (die zich een `man van het gras' noemt), `dat we de democratie om zeep hebben geholpen op het grasland, door ons onvermogen te begrijpen wat vrijheid inhoudt. Nu leven we in een post-industriële wereld, een wereld die vrijheid nodig heeft.' Het gras zal het ons leren, denkt de grasman.

Manning was zijn tijd vooruit. Boeken over ecologie, natuurlijke geschiedenis, oftewel `historische biologie', zijn de laatste jaren in opkomst. Ecologische bewustwording, maar ook het besef van de schadelijke gevolgen van menselijk ingrijpen en de behoefte aan premoderne of zelfs non-human history spelen daarin een rol. En gelukkig, sommige van deze boeken zijn geslaagde voorbeelden van wetenschapsjournalistiek.

Net verschenen is het prachtige The Eternal Frontier van de Australische academicus Tim Flannery, een ecologische geschiedenis van Noord-Amerika sinds de inslag van een meteoriet voor de kust van Mexico die 65 miljoen jaar geleden een eind maakte aan het tijdperk van de dinosaurussen. Flannery's uiteenzettingen over aardkorsten, tropisch Amerika, IJstijden en mastodonten lezen als een roman, en je betreurt het bijna als de eerste mens zijn opwachting maakt aan de Bering Straat. Flannery is een enthousiaste, soms wat speculatieve verteller. Zo legt hij uit waarom de bizon volgens hem ook een menselijke creatie is: de lage kop van het dier dient om goed te kunnen grazen tussen soortgenoten en is een gevolg van het leven in dichte kuddes, en dàt was weer een aanpassing aan de komst van de indiaanse jagers.

The Eternal Frontier is een lust om te lezen: groots maar niet pretentieus, altijd informatief, en bovendien gespeend van angst voor controverse. Flannery is bijvoorbeeld overtuigd van het gelijk van wetenschappers die - tot woede van indiaanse activisten - menen dat een blitzkrieg van indiaanse jagers in de prehistorie afrekende met de grote zoogdieren op het continent. Zij verdwenen in het `zwarte gat' onder de neus van de Clovis-mens, de eerste immigranten op het Amerikaanse continent, noteert hij droogjes — in hun mond dus.

Maar in de historische biologie komen behalve wetenschappelijk enthousiasme ook nationale en zelfs reactionaire sentimenten om de hoek kijken. In The Forgiveness of Nature breekt de Engelse natuurschrijver Graham Harvey een lans voor de `wedergeboorte' van het eilandgevoel door de genade van gras en milieuvriendelijke landbouw. Aan het begin van de 21ste eeuw is grasland (één van de vier grote biomen toendra, gras, bos en woestijn, dat een kwart van het landoppervlak van de aarde beslaat) overal in de verdediging gedrukt. Alleen herstel van dit grasland kan `het eilandvolk terugleiden naar het pad van welvaart en gezondheid. De hoop op nationale verlossing ligt verborgen in de antieke groene mantel van veld en heuvel.' Het klinkt nogal Duits, maar het staat er echt in het Engels.

Met die lofrede sluit Harvey aan bij andere Britse critici van de moderniteit, zoals de eurofoben die zich afzetten tegen Brussel, of de conservatieve poseur en vossenjager Roger Scruton. Ook Harvey heeft een pamflet geschreven, kort door de bocht, onderhoudend en bij vlagen onbedoeld hilarisch, over de Engelse love affair met gras en weiland. Van het Stenen Tijdperk tot de komst van de grasmaaier, stadsparken, cricket en de voetbalvelden. De moraal van het boek is bloedserieus: gras is gezond en heilzaam (niet alleen door de fotosynthese, maar ook door het biophilia-effect: het verblijf in een groene omgeving werkt direct stressverlagend).

De moderne industriële landbouw en veeteelt zijn daarentegen een ramp voor de planeet - met de epidemie van mond- en klauwzeer en het apocalyptische `ruimen' van vee en varkens hebben we daarvan weer een staaltje gezien. Net als Manning bepleit Harvey, zij het veel retorischer, een drastische reductie van grootschalige veehouderij en landbouw, en van het gebruik van chemicaliën. En net als Manning, die het Westen wil teruggeven aan indianen en de bizon, is ook hem utopisme niet vreemd: een terugkeer naar organische landbouw is het enige dat ons kan redden. Een begroting wordt helaas niet bijgeleverd.

Harvey wijdt een kort hoofdstuk aan de Amerikaanse prairies, en daarbij is hij overduidelijk schatplichtig aan Manning. Ook hij jubelt over de `eeuwige gift van het gras, de vrijheid om je echt levend te voelen', zodra indianen en andere nomaden ter sprake komen. Instemmend haalt hij de observatie van Bruce Chatwin aan dat nomadenbaby's nauwelijks huilen onderweg. Gras maakt van ons weer baby's, kennelijk. Het zou kunnen. Wie heeft uitgekeken over de eindeloze plains van het Amerikaanse Westen zal weten wat hij bedoelt. Het is de ervaring van wat Kant noemde het `sublieme', het opgaan in een onafzienbaar geheel dat zich niet schikt naar onze esthetische normen, maar dat zich juist aan alle menselijke maat onttrekt.

Toch is Harvey veel te romantisch. De onmetelijke Amerikaanse prairie is één ding, maar hoe `vrijheid' te vinden zou zijn in het Engelse gras - dat juist altijd is bewerkt en gecultiveerd - maakt hij nergens duidelijk. Harvey wil zich laten leiden door iets hogers, of ten minste door `de natuur'. Maar gras, zo moet de conclusie van dit boek zijn, is toch ook altijd een projectiescherm van menselijke verlangens en sentimenten.

Voor de inheemse Amerikanen, die werden geromantiseerd vanaf het moment dat ze werden verdreven, is de bejubeling van het gras waarover ze ooit trokken, misschien een bittere pil. Ook Harvey noemt hun samenleving weer `vrij', `seksueel gelijkwaardig', en ook nog eens toegerust met `goed aangepaste kinderen'. Gelukkig beseft hij nog wel dat het leven op de vlaktes vaak ook hard en allesbehalve idyllisch was. Maar een besef dat bij Harvey ontbreekt en veel beter is na te lezen in Flannery's The Eternal Frontier, is dat hun plains-cultuur helemaal geen natuurtoestand was, maar een historische creatie, het gevolg van een complexe culturele en economische interactie met de omringende niet-indiaanse wereld.

Nomadisme, en de prairies, hebben ook niet altijd tot de verbeelding gesproken. Wagenzieke kolonisten klaagden tijdens hun trektocht over de droge, boomloze vlaktes over duizelingen en depressies. Ze trokken zo snel mogelijk door deze Great American Desert. De reisschrijver Bill Bryson vergelijkt in The Lost Continent een hedendaagse auto-rit door de staat Nebraska - `zo plat als een biljartafel' - met het verblijf in een zintuiglijke deprivatie-kamer, volkomen gespeend van externe stimuli.

Andere schrijvers bleken wèl gevoelig voor de schoonheid van de grasvlaktes, met hun `gracieus wuivende oppervlak, rijzend en dalend met een rustig ritme, en een volle, ronde vorm', aldus de bijna erotische beschrijving van een auteur omstreeks 1840, geciteerd in de natuurgids Grasslands van Lauren Brown.

Vooral aan de stedelijke elite - die níet naar een betere toekomst hoefde te reizen, maar naar een romantisch verleden - was zulke lyriek goed besteed. Terwijl de kolonisten de onherbergzame prairies vervloekten, trokken stedelingen onder deskundige begeleiding erop uit, op zoek naar indianen, wildernis, en, wie weet, hun mannelijkheid. Herbronnen in een huifkar.

Tot dit selecte gezelschap behoorden de Amerikaanse historicus Francis Parkman en de Duitse edelman prins Maximilian zu Wied. Parkman, beroemd geworden met studies naar de Amerikaanse revolutie, schreef het inmiddels klassieke, en nu vertaalde reisverslag The Oregon Trail (1849) over zijn belevenissen. Prins Wied publiceerde het tweedelige Reise in das innere Nord-America (1839-41). Het belangrijkste daarvan bleek niet de tekst, maar het tekenwerk van de kunstenaar Karl Bodmer (1809-1893), die de prins had vergezeld op zijn tocht langs handelsposten aan de Missouri. Een groot aantal Missouri-indianen werd kort na hun reis weggevaagd door een verwoestende pokken-epidemie, overgebracht door blanke handelaren.

Bodmers nauwkeurige portretten van de Mandan, Assiniboin, Sioux, Piegan, Crow en anderen horen nog steeds tot de belangrijkste bronnen voor een beeld van het leven van de plains-indianen. Ze zijn nu in een mooie complete Engelstalige uitgave verschenen, met fragmenten uit het reisverslag - de tekst van de prins is hier ondergeschikt gemaakt aan het beeld, en dat is de juiste plaats voor zijn gedateerde negentiende-eeuwse proza.

Het reisverslag van Parkman (1823-1893) heeft de tand des tijds daarentegen glansrijk doorstaan. Het pad naar Oregon biedt, in een mooie vertaling, nog steeds een pakkend verslag van Parkmans reis langs de Platte rivier en de Rocky Mountains. Het was 1846, de oorlog met Mexico was net uitgebroken, en grote delen van de prairies waren nog het domein van indianen, pelsjagers en bizons. Parkmans schetsen van de onmetelijke golvende prairie, zijn deelneming aan een bizonjacht, en de ruige Rockies zijn meesterlijk.

Zijn beschrijvingen van de indianen daarentegen zijn onbeschaamd etnocentrisch en veel minder empathisch dan bijvoorbeeld die van de kunstenaar George Catlin, die hen in dezelfde periode bestudeerde en schilderde. Parkman spreekt van `rasechte wilden', ten prooi aan `wispelturigheid en onbetrouwbaarheid', aan `aangeboren wreedheid' en `norse woede'. Alleen Mexicanen waren erger. Het zijn de racistische observaties van een negentiende-eeuwse reiziger in een niemandsland. Toch is Het pad naar Oregon ook dáárom interessant, en terecht een klassieker.

Anderhalve eeuw later is het beroerd gesteld met het grasland. Landbouw en intensieve veeteelt hebben de bodem in de Dakota's, Nebraska, Kansas en andere (mid-)westelijke staten, uitgeput. Federaal onderzoek in 1980 wees uit dat nog maar 15 procent van het grasgebied in goede toestand is, 38 procent is er slecht aan toe, 16 procent zeer slecht. De Amerikanen voerden met hun landbouw en veeteelt `oorlog' tegen de grond, stelt Richard Manning. Ook Tim Flannery trekt in The Eternal Frontier een harde conclusie: `Rond 1950 waren de Amerikanen erin geslaagd viervijfde van hun wildstand uit te roeien, de helft van hun bossen te kappen, inheemse culturen vrijwel volledig te verwoesten, en de grond voor een groot deel uit te putten'.

Een van de schuldigen aan die uitputting van de grond is volgens Manning en zijn pupil Graham Harvey, de staatsman Thomas Jefferson. Hij was de bedenker van het geometrische raster. Daarmee werden vanaf de Landverordening van 1785 de graslanden opgedeeld in vierkante lapjes van 160 acre oftewel 64 hectare (later 40 acre of 16 hectare), bedoeld voor kleine boeren. Jefferson had voor die opdeling van de prairie niet alleen economische motieven. Het idee van zulke rasters paste in het rationalisme dat de Amerikaanse staatsinrichting beheerste en was volgens Jefferson de beste garantie voor een zelfbewuste democratie: Amerika moest een natie worden van kleine boeren die hun eigen voedsel verbouwden en niet afhankelijk waren van loonarbeid.

Het resultaat is te zien. In de echte prairie, de tallgrass prairie van het mid-Westen, zijn inheemse grassoorten als `Indian grass' (sorghastrum nutans) en `big blue stem' (andropogon furcatus) die vier meter hoog konden worden, verdwenen onder een lappendeken van boerderijen en wuivende graanvelden. Ook delen van de westelijker short grass prairie langs de Rocky Moutains waar `buffalo grass' (buchloe dactyloides) en `blue grama' (bouteloua gracilis) groeiden, zijn van aangezicht veranderd en begroeid met tarwe. Dat geldt ook voor het middengebied, de uitgestrekte mixed prairie - de Dakota's, Kansas en Nebraska - waar buffelgras en `blue grama' samengaan met onder meer `little blue stem' (andropogon scoparius). Ruim veertig procent van het Amerikaanse land wordt nu begraasd door dieren die niet, zoals de bizon deed, rondtrekken en het gras de tijd geven te herstellen, maar achter prikkeldraad en hekwerk net zo lang stationair doorgrazen tot de grond is doodgevreten, `grazed to dirt'. En dat ging hard. Het aantal koeien in Nebraska nam bijvoorbeeld tussen 1860 en 1880 toe van 37.000 tot meer dan een miljoen.

Het staat allemaal haaks op wat Manning `de eerste wet van de grasvlaktes' noemt: mobiliteit. Afgezien van alle mystificatie, zijn de Amerikaanse grasvlaktes werkelijk `bedoeld' voor rondtrekkende mensen en dieren, die het labiele eco-systeem in balans houden. De moderne landbouw en veeteelt betekenden een permanente `oorlog' tegen het land, dat door zijn grote droogte nu eenmaal niet geschikt is voor zulk intensief gebruik. Het geluid van de prairie onder de ploeg klonk volgens Manning in de negentiende eeuw als `een serie pistoolschoten, de harde knallen waarmee de ploeg zich een weg baande door ondergrondse wortels'.

De verschrikkelijke dust bowls van de jaren dertig waren het gevolg. De grond verwaaide tot zwarte en bruine stofwolken die in maart en april van 1935 Kansas, Oklahoma en andere staten in het mid-Westen vrijwel verduisterden. Boeren gaven de schuld aan de droogte, maar Richard Manning merkt op: `Landbouw was de echte ramp.'

Zijn boek eindigt met een oproep de landbouw in het Westen drastisch te verminderen, de bizon terug te laten keren, en de prairies op adem te laten komen. De Amerikaanse overheid luistert daar mondjesmaat naar, maar vooralsnog krijgen de economie en de machtige landbouwlobby's voorrang. Na de dust bowls werden natuurgebieden ingericht om delen van de prairie te conserveren. Maar in de jaren zestig, na technische revoluties in de gemechaniseerde landbouw, begon een volgende Great Plough-Up. De kleine boeren met hun family farms begonnen het in hoog tempo af te leggen tegen grote en kapitaalkrachtige landbouwconglomeraten.

Zo is het geometrisch-democratische experiment van Jefferson uitgelopen op een mislukking. Manning verwijst instemmend naar Frank en Deborah Popper, geografen aan Rutgers University, die bepleiten de vlaktes opnieuw open te stellen voor bizonkuddes (en toeristen). Zo onwerkelijk als dat klinkt, is het niet helemaal. Uit recent Amerikaans bevolkingsonderzoek blijkt een gestage uittocht uit de prairie-staten. En het zijn de blanken die wegtrekken. Een aantal gebieden buiten de grote steden telt nu weer evenveel bewoners als ten tijde van de frontier. Tegelijkertijd nemen twee andere groepen weer in aantal toe: indianen (vaak gelokt door werk in de nieuwe, lucratieve casino's op hun reservaten) en bizons. De nomaden zijn nu de blanken, die na generaties vruchteloos zwoegen, verder westwaarts trekken.

In The Earth Shall Weep (1998), een geschiedenis van indiaans Amerika, schreef James Wilson al hoopvol dat indiaanse gemeenschappen energieker lijken dan de blanke. Het is een tikje wishful thinking, voor wie de armoede en miserabele leefomstandigheden op veel reservaten kent (alcoholisme is nog steeds een ontwrichtend probleem, en meer dan de helft van de indianen ouder dan 45 jaar lijdt aan suikerziekte) – maar niet helemaal. Na twee eeuwen moeten de boeren alsnog het gelijk erkennen van de eerste kolonisten, die zo snel mogelijk door de lege vlaktes heen trokken.

Voor de indianen, intussen, is hun land nooit een woestijn geweest. `Het gras kan herleven', schrijft Richard Manning. Dan kunnen zij het misschien ook.

Tim Flannery: The Eternal Frontier. An Ecological History of North America and its Peoples.

Heinemann, 404 blz. ƒ83,40 (geb.)

Graham Harvey: The Forgiveness of Nature. The Story of Grass.

Jonathan Cape, 358 blz. ƒ75,- (geb.)

Ute Kieseyer (ed.): Travels in the Interior of North America.

Taschen, 264 blz. ƒ49,95 (geb.)

Francis Parkman: Het pad naar Oregon. Vertaald door Inge Kok. Contact, 349 blz. ƒ49,90

Gerectificeerd

Bij het artikel `Genadig is het gras' (Boeken, 10.08.2001) stond in het blokje met boekgegevens dat Francis Parkmans Het pad naar Oregon is verschenen bij Contact. Dat is niet juist, de vertaling is verschenen bij Atlas, dat ook een Nederlandse editie uitbrengt van Tim Flannery's The Eternal Frontier onder de titel Een ecologische geschiedenis van Noord-Amerika, ƒ59,90