Een subversief colbert

De tentoonstelling `Un art populaire' roept veel vragen op over het verschil tussen volkskunst en `echte' kunst. De kijker weet niet meer wat hij ziet.

Schijn bedriegt. Natuurlijk word je vrolijk van de tentoonstelling Un art populaire, in de Parijse Fondation Cartier. Van volkskunst of populaire kunst, zoals de dubbelzinnige titel al zegt, is het zorgeloos genieten. Het zijn toegankelijke, voor iedereen begrijpelijke uitingen van ambachtelijkheid, vaak regionaal gebonden, herkenbaar en soms zelfs bruikbaar. Op de rand van kitscherig brengt dit soort kunst voornamelijk vertedering teweeg. En ook wel ergernis. Als het om koekoeksklokken gaat bijvoorbeeld.

Moet een gerespecteerd kunstinstituut als de FC zich daar nu mee inlaten, kennelijk ook al ten prooi aan de algehele vervlakking?

Ja, want schijn bedriegt.

Un art populaire is een hersenkraker, of in elk geval prikkelender dan de van video's aan elkaar hangende biënnales van Venetië en Lyon die pretenderen reuze eigentijds te zijn. Op deze tentoonstelling gaat het ook om hedendaagse kunst, uit alle windstreken. De vraag die de bezoeker van `Un art populaire' zich onmiddellijk stelt is wat deze kunst-met-de-minzame-naam eigenlijk onderscheidt van de `officiële' kunst. De schilderijen van de Congolees Cheik Ledy bestaan uit acrylverf op doek, precies zoals die van Jackson Pollock of Rainer Fetting. Materieel verschil is er, om te beginnen, al niet.

De uitvergrote, karikaturale achterwerken van de vrouwen op zijn doeken verraden voorts de ambitie te stileren, hoe `realistisch' zijn werk ook ogen mag. Hij abstraheert, met de hyperbool als stijlmiddel. Eén blik op zijn doeken, en het kunsthistorisch discours barst al los in je hoofd. Cheik Ledy geeft de contouren van de figuren op zijn schilderijen veelal aan met een zwarte lijn, en hij legt hen, met een pijl in de richting van de `spreker' teksten (in koddig Frans) in de mond. Precies zoals in strips gebeurt. Precies zoals Roy Lichtenstein doet.

Maar diens werk heet `pop-art', de officieel erkende en hogelijk gewaardeerde kunststroming, waarvan de vertegenwoordigers goed zijn voor miljoenen dollars op veilingen en beurzen.

Betovering

Waarom is de pop-art van Cheik Ledy volkskunst? Dat de bezoeker gedwongen wordt over de vraag na te denken, is de grote verdienste van deze tentoonstelling, nog los van wat er te zien is. Behalve onbekende kunst laten zien, stelt Hervé Chandès, de maker van de expositie, de gangbare opvattingen over kunst ter discussie. Aan die discussie neemt hij stamelend deel. Ondervraagd over zijn expositie door dagblad Le Monde zegt hij `iets in de orde van betovering' in deze kunst te zien. Hij betwijfelt of hij die betovering onder woorden kan brengen, maar noemt toch `een zeker sentimenteel aspect, gemeenschappelijkheid ook en de drang om iets met de hand te maken'.

De vraag waarom deze kunst volkskunst is, of kunstnijverheid, bestrijkt een veel groter terrein dan die van de kunst alleen. Vage noties van even vage wereldbeelden doemen op en ook van stilzwijgende hegemonie: de wereld is zoals wij Westerlingen denken dat zij is. Maar is dat ook zo? Chandès zegt daar alleen maar dit over: ,,Ik ben op mijn hoede geweest voor het exotische (-) dat is nooit meer dan een vorm van onwetendheid.''

Chandès heeft een gelukkige hand van kiezen. Zijn zorgvuldige selectie verlevendigt het debat. Wat hij laat zien zet het theoretische onderscheid tussen `Westerse' kunst en volkskunst dat er natuurlijk wel degelijk is onder druk. Als genre voegt de volkskunst zich naar een traditie, van sociale of religieuze aard. `Echte' kunst, ook als die `in een traditie staat', is vaak subversief of heeft de ambitie dat te zijn. Een doorbraak in kijken en vooral: in denken, brengt volkskunst niet teweeg; hoe virtuoos en esthetisch ook, het is een herhaling of een variant op de herhaling.

Het leuke nu van Chandès tentoonstelling is, dat de bezoeker elk kunstwerk als het ware de artistieke maat gaat nemen. Zijn de uitvergrote, met goudkleurige mozaïektegeltjes beplakte beelden van de onvolprezen Italiaanse ontwerper/architect Alessandro Mendini subversief of niet? Ja. Door zulke banale voorwerpen als een colbert en een laars tot reuzenformaat op te blazen, in goud te hullen en vervolgens als een eerbetoon op een sokkel te plaatsen, ontregelt Mendini ontegenzeggelijk het kijken.

Die vaststelling is nog gemakkelijk.

Maar wat te denken van de schalen met pop-artachtige, soms pornografische afbeeldingen, die hun inspiratie overduidelijk ontlenen aan etnografisch aardewerk? Die gemaakt zijn door Diego Holly Romero, 36 jaar oud, geboren in Californië? Is dat traditie? Eh, ja. Is dat sociaal, regionaal, religieus bepaald? Eh, nee. Of misschien toch wel? In de heldere catalogus bij de tentoonstelling beantwoordt iedere deelnemende kunstenaar de vraag wat naar zijn of haar mening volkskunst is. Diego antwoordt: `(-) een stijl of een genre, voortkomend uit een groep of een cultuur'. Volgens hem legt zijn werk `het indiaanse pueblo-aardewerk' vast. Ondanks de strip- en pornoplaatjes. Kunst of volkskunst?

De bezoeker mag het zeggen van Chandès. Maar tegenover die vrijheid staat de verplichting goed te kijken. Bij sommige werken kan de voorstelling de doorslag geven. De keramische beeldjes van de Braziliaanse kunstenaars Vitalino Pereira dos Santos en Zé Caboclo vallen naar mijn idee nu eens onder de definitie van kunst dan weer onder die van volkskunst. Een boer die een koe melkt en een Jozef-en-Mariabeeldje, schattig-pastorale dingetjes zijn dat. Maar voor een doktersfiguur die in een koddig soort balletpose zijn oor te luisteren legt tegen de rug van zijn `patiënt' of voor `de Arrestatie van de Neger', door twee agenten met de expressie van een oliebol op hun gezicht, ligt het toch weer anders.

De grote, science-fictionachtige poppen van glimmend plastic van de Japanse Takashi Murakami (aan wie Fondation Cartier in het najaar een solo-tentoonstelling wijdt) zijn kunst. Maar ik moet bekennen, dat ik daaraan nog twijfelde toen ik zijn kitscherige barbiepoppen enkele jaren geleden voor het eerst zag. De blik verandert en past zich aan. Precies zulke poppen als die van Murakami zijn op Un art populaire ook te zien van zijn landgenoot Bome. Ook kunst dus, al antwoordt de maker (1961) op de standaardvraag in de catalogus zijn werk nooit als zodanig beschouwd te hebben en überhaupt nooit over het onderscheid tussen kunst en volkskunst te hebben nagedacht. Gebonden aan een traditie acht hij zich niet, wel aan alles wat hij tot nu `gedaan en meegemaakt' heeft.

De Braziliaanse kunstenaar Marcos Cardoso (1960) maakt `wandkleden' met geometrische patronen van sigarettenpeuken aan touwtjes. Volgens Cardoso zelf is in zijn werken de invloed van volkskunst te bespeuren, `maar ze geven ook blijk van een andere blik, van kennis van de kunstgeschiedenis'.

Met deze leerzame tentoonstelling voegt Fondation Cartier zichzelf in wat inmiddels een traditie genoemd kan worden. Tien jaar geleden was in Parijs de tentoonstelling Magiciens de la Terre te zien, vorig jaar toonde de Biënnale van Lyon een soortgelijk overzicht van kunst (en volkskunst) uit de hele wereld. Het Louvre herbergt sinds vorig jaar een vleugel met niet-Westerse kunst. De leiding van het Louvre wilde er niet aan, want het is `geen kunst'. President Chirac, die met een nieuw museum voor juist deze etnografische kunst een eigen grand travail wil achterlaten, drukte het voorproefje in het Louvre door. De expositie in Fondation Cartier laat zien dat ook anderen de grenzen in de kunst willen slechten.

Wat rest is een achterhoedegevecht tussen rekkelijken en preciezen. Het is vooral een woordenstrijd. Aan het begin van de twintigste eeuw noemde men deze kunst nog `negerkunst', weer later `primitieve' of `oer'-kunst. Voor- en tegenstanders zien gebroederlijk in dat die benamingen niet meer acceptabel zijn. Maar een alternatief hebben ze nog niet gevonden. Daarom heet de afdeling in het Louvre nu maar zo neutraal mogelijk Arts premiers, `vroege kunst'. Dat is onjuist, veel stukken stammen uit nabije eeuwen. De naam van Chiracs nog te bouwen museum is daarom in afwachting van het eureka ontleend aan de plaats waar het wordt neergezet: Musée Bercy.

Un art populaire, Fondation Cartier, 261 Boulevard Raspail, Parijs. Tot 4 nov. Dag. beh. ma. 12-20 u. Catalogus 290 francs.