De windhoos van Borculo

De windhozen die afgelopen dagen over Oost-Nederland raasden, hebben heel wat bomen ontworteld en pannen van de daken geblazen, maar doden of gewonden vielen er niet. Dat was in het verleden wel anders. De bekendste windhoos is die van 10 augustus 1925 – vandaag 76 jaar geleden – die door de kern van Borculo raasde en daarbij vier dodelijke slachtoffers maakte. Toch was er nog een zwaardere windhoos. Op 1 juni 1927 trok opnieuw een zware windhoos door de Achterhoek, langs de lijn Lichtenvoorde-Neede-Tubbergen. Het was een gelukkige omstandigheid dat de hoos dit keer een koers volgde die net niet over de dorpskernen voerde. Toch vielen bij deze windhoos maar liefst tien doden, waarvan drie door blikseminslag

Meteorologen gebruiken de benaming hoos voor het weerverschijnsel waarbij in een klein gebied een sterk roterende luchtmassa voorkomt. Verschijnt de luchtwerveling onderaan de basis van een wolk, dan wordt die een windhoos genoemd; als ze zich boven een wateroppervlak bevindt wordt ook wel de term waterhoos gebruikt. De trechtervormige slurf van de hoos kan tot aan het aardoppervlak reiken en daarbij soms grote schade aanrichten. Dit was onder andere het geval op 10 augustus 1925, toen een windhoos in Borculo grote schade aanrichtte.

Op de middag van die tiende augustus trok een actief koufront van het westen uit Nederland binnen. Aan de voorzijde van dat front was, zoals bleek uit de latere reconstructie van een directeur van het KNMI, prof. dr. E. van Everdingen, warme en vochtige lucht aanwezig. Ver landinwaarts steeg de temperatuur in de late namiddag tot ongeveer 30 graden. Alle voortekenen wezen op een paar flinke onweersbuien, maar de zwellende lucht kreeg tegen 6 uur al een dreigend aanzien. Het toenmalige hoofd van de openbare lagere school in Borculo, H.W. Heuvel, had een bijzondere belangstelling voor het weer. Wat zich tussen pakweg 6 en 7 uur in de avond afspeelde sloeg hij gade met meer dan gemiddelde belangstelling en hij heeft daarvan een uitvoerige beschrijving nagelaten, die in gezwollenheid weinig onderdoet voor de passerende luchtmassa. Zijn ooggetuigeverslag is opgenomen in het boekje De Ramp in het oosten van Nederland tengevolge van den windhoos op 10 Augustus 1925 (met veel foto's) dat uitgegeven werd met het doel geld voor de slachtoffers in te zamelen.

,,Na half 7 waren wij telkens buiten, om den loop der onweersbui waar te nemen. 't Was een angstig gezicht. Vertakte bliksems en bundels van bliksemstralen doorkliefden het zwart en al feller ratelden de slagen. Naar 't N.W. en N. was de lucht vaal, nog akeliger dan voor een hagelbui. Recht kwam het gevaarte op ons af, wentelend als een draaikolk. Iemand zag ineens iets als een lange, rechte buis, welke snel ronddraaide en onder ontzettend geloei naderde. Om 7 uur, toen ik in huis de wijk nam, heb ik voor 't laatst op mijn horloge gezien. Hoe lang het daarna geduurd heeft, weet niemand. Men spreekt van 5 of 8 minuten; naar mijn schatting was het 10 à 15 min. In een vreeselijk donker, gedurig door den bliksem verlicht, zaten we in de huiskamer bijeen. Daarbuiten zagen we alles in horizontale beweging: de regenvlaag, vermengd met stof, boombladeren en allerlei voorwerpen, één grijze massa in razende vaart. Groote boomen zwaaiden neer. Door een ruit brak de storm bij ons binnen; het venster daartegenover vloog los, de voordeur met uitgerukt slot smakte open. Wij vlogen naar de gang. Met alle macht duwde ik de deur dicht en hield haar vast met de zwaarte van mijn lichaam. Wat verder, in een nis voor de kelderdeur, stonden mijn vijf huisgenooten dicht opeen, als om elkaar te beschermen. Buiten het brullen van de orkaan, binnen het gerinkel van glasscherven, het geraas van neervallende dakpannen, enz. Elke minuut een helle bliksem, waarvan de donderslag verstierf in het stormgeloei. Hoe angstig we waren, of we dachten aan den dood of aan het einde der wereld, we weten het niet meer. De storm bedaarde, de regen hield op. We gingen naar buiten. Welhaast scheen de zon weer door de wolken en glimlachte, alsof er niet gebeurd was.''

Toen Heuvel en andere inwoners van Borculo voor het eerst weer naar buiten durfden, drong pas goed tot hen door wat er zich in dit noodlottig kwartier had afgespeeld. Omdat het huis van de hoofdonderwijzer degelijk gebouwd was en in de luwte van een laan met hoge bomen stond, was het slechts licht beschadigd. Tweeduizend anderen in het stadje in de Achterhoek waren er zo slecht aan toe dat ze letterlijk als dakloos aangemerkt moesten worden. Borculo was tijdelijk van de buitenwereld afgesloten. Alle toegangswegen waren versperd door ontwortelde bomen en de telefoon- en telegraafverbindingen waren verbroken.

Het noodweer in het oosten van Nederland ook andere plaatsen in Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel, een strook die zich uitstrekte van Uden tot Denekamp werden getroffen bleef niet lang onbekend en er werd snel actie ondernomen. Een belangrijke rol hierbij speelde de pers, die in geuren en kleuren en verlucht met veel foto's verslag van de ramp deed.

Al snel werd duidelijk dat nagenoeg niets van de schade door de verzekering gedekt werd. De slachtoffers waren dus afhankelijk van de welwillende hulp en giften van anderen. Voor de coördinatie van de hulpverlening en een juiste verdeling van de ingezamelde gelden werd een week na de windhoos het Nationaal Steuncomité Stormramp 1925 gevormd.

Een belangrijk deel van de hulp werd in natura verstrekt. Zo werd gemeld dat de Noord-Brabantschen Christelijken Boerenbond ervoor zorgde dat `elken dag een 100-tal boerenjongens zouden trachten te redden en te behouden van den oogst, wat er nog te redden en te behouden viel. Aan elke getroffen boerderij zouden een 20-tal rappe handen gedurende vijf dagen aanpakken en op deskundige wijze de zaak op orde stellen.' Ook tal van bouwvakkers boden hun diensten aan. Later, toen bleek dat er meer dan 3 miljoen gulden was ingezameld, werd men wat kieskeuriger. Particulieren schonken een grote partij `leelijke, doch goed sluitende cementpannen', maar het coördinerende bouwbureau stond `om aesthetische redenen' gebruik ervan niet toe.

Dankzij alle krachtsinspanning kwam Borculo er weer bovenop. ,,Want al lijken wij vaak'', aldus een bewogen journalist, ,,een volk van `zwammen en splijtzwammen', in de ure des gevaars weet Nederland eensgezind en doeltreffend hulp te bieden.''

De ramp in het oosten van Nederland tengevolge van den windhoos op 10 Augustus 1925 (Utrecht/Amsterdam, 1925).