De hongerdood als een zege van de ziel

De jeugd als permanent strafgericht, waarbij een vader of een moeder voor onbarmhartige rechter speelt. Dat thema heeft heel wat pennen in beweging gezet en tot tal van larmoyante vertellingen geleid. Soms verrees er op het wankele fundament van de ongelukkige jeugd ook een literair monument, zoals bijvoorbeeld Het land van de geslagen kinderen van Waltraud Anna Mitgusch of School No 1 van Pierre Platteau. Van cruciaal belang voor het succes van deze boeken is het feit dat het kind er niet alleen als een weerloos slachtoffer wordt opgevoerd maar ook als een voyeur die met een bijna perverse fascinatie zijn folteringen ondergaat.

In de goeddeels autobiografische roman Het mooist vond ik haar mond van de Italiaanse schrijfster Nadia Fusini gaat het er minder gewelddadig aan toe dan in de boeken van Mitgusch en Platteau. Wel wordt het gedrag van de jonge ik-persoon gekenmerkt door enerzijds eenzelfde mengeling van aanhankelijkheid en schuldgevoel en anderzijds afkeer jegens de tirannieke ouder (de moeder in Fusini's geval). Dat mondt soms uit in curieuze gedragspatronen. Wanneer de onverzoenlijke en buitensporig behoedzame moeder tegen haar dochter zegt `Nadia, val niet', dan is het resultaat: `en dan viel ik [..] om aan dat onderliggende bevel, vermomd als angst, te gehoorzamen.'

Slaan doet Nadia's moeder zelden, maar haar volstrekte gebrek aan hartstocht ondermijnt de broze wereld van de overgevoelige dochter: `zij wilde dat ik mijn ziel opzijschoof, dat ik die verbood zich te hechten aan wat dan ook.' Moeders mond is bekoorlijk, maar plooit zich nooit tot een zoen en blijft `bijna altijd toegeknepen', als een vaandel van het gezond verstand en een streng plichtsbesef. Minstens zo ongenaakbaar is broer Giorgio, moeders voorbeeldige soldaat, die zijn zusje verwijt een indringster te zijn omdat ze eigenlijk een ongewenst kind was.

Gelukkig voor Nadia is er nog iemand anders in huis: papa - ruimhartig, menselijk, `zo goed als een engel' en nooit te beroerd om de kleine Nadia een verhaaltje voor te lezen. Wanneer deze beschermengel zijn echtgenote omhelst voelt de ziekelijk jaloerse Nadia zich buitengesloten `als een vergeten pop'. Douchen doet ze niet meer omdat ze dan het gevoel krijgt te stikken, want ooit heeft ze ontdekt dat haar ouders samen onder de douche stonden terwijl ze weigerden de badkamerdeur te openen.

Naarmate Nadia opgroeit en haar zogezegde onschuld verliest, keert de vader zich geleidelijk aan van haar af - zo althans interpreteert Nadia het als papa niet meer met zijn amper nog kleine meid wil knuffelen. Wanneer deze kwetsbare en lieve man, die niets minder is dan Nadia's raison d'être, door een raadselachtige ziekte wegkwijnt, neemt zijn door nachtmerries geplaagde dochter het besluit zichzelf uit te hongeren: `En terwijl hij zich steeds verder verwijderde, werd ik een skelet om hem achterna te gaan; elke dag verloor ik gewicht en hij leven.'

Woedend en radeloos is ze als hij uiteindelijk sterft: hij heeft haar verraden en het enige wat haar overblijft is haar moeder te tarten, haar moeder die haar wil redden van de hongerdood - voor de moeder een ontoelaatbare onmatigheid, voor Nadia de onbetwistbare zege van de ziel.

Anorexia nervosa, is het oordeel van de behandelend arts, maar in de ogen van Nadia is haar doorschijnende lichaam dat van een engel, `een beweeglijke arabesk' wanneer zij op de daklijst van haar huis van hoogte naar hoogte springt. Leegte en afwezigheid: dat zijn de bouwstenen van haar geluk en in een verbeten duel met haar moeder poogt ze die schamele vesting tegen elke prijs te verdedigen.

Het relaas van dit getroubleerde meisje wordt als een terugblik gepresenteerd. Het vertelperspectief zwabbert nogal: nu eens lijkt het of de volwassen schrijfster in de huid van de vertelster kruipt, dan weer wordt de indruk gewekt dat een ongeveer veertienjarig meisje haar jeugd aan een analyse onderwerpt. De verteltrant is evenwel overwegend abstraherend van karakter; concrete beelden en gebeurtenissen krijgen amper ruimte - bespiegelingen en muizenissen des te meer. Dat is jammer, want zodra Fusini de ziel loslaat voor beschrijvingen van vlees en bloed, bewijst zij een fraai zinnelijk proza te kunnen hanteren. Vooral de verschillende belichamingen van de dood imponeren: `opa's zwarte, gladde schoenen [..] waarin je je kon spiegelen', het blikje sardientjes dat in Nadia's optiek een verzegeld lijkkistje is, of de boten van op meerkoeten loerende jagers: `heimelijk naderende lijkwagens'.

Fusini's onheilszwangere vertelling heeft onveranderlijk de donkere tinten van een doek van Edvard Munch en soms ademen de zinnen eveneens de beklemming waarin de Noorse schilder zo excelleerde. Maar geregeld vliegt ze ook uit de bocht met prinses Irene-achtig gezever over de kosmos en de elementen: `De bomen en de planten leken mij de elementaire grammatica van het bestaan aan te duiden.' Dan onderga je als lezer de paradoxale gewaarwording dat zweverig gemijmer loodzwaar wordt en dat een verslag over een geval van anorexia nervosa als een baksteen op je maag valt. In een dergelijk geval moet je je maar troosten met een fraaie zin als deze: `Het weinige dat je hebt, kun je haten omdat het maar weinig is, in plaats van ervan te houden en het te koesteren.'

Nadia Fusini:

Het mooist vond ik haar mond.

Vertaald door Carolien Steenbergen.

Serena Libri, 190 blz. ƒ39,50