De bevrijde wereld

De enige film van Hitchcock die letterlijk op waarheid berustte, zou nooit worden vertoond. Men zocht nog naar een eufemisme.

Vijfde aflevering van een serie over momenten dat de filmkunst de geschiedenis tegenkwam.

In het voorjaar van 1945 keerde Alfred Hitchcock voor de tweede keer tijdens de oorlog terug uit Hollywood naar Londen. Hij ondernam de gevaarlijke reis opnieuw op dringend verzoek van zijn vriend, de Britse filmproducent Sidney Bernstein. Een jaar eerder had hij voor Bernstein, tijdelijk als hoofd van de filmafdeling in dienst genomen door het Britse ministerie van Informatie, twee gespeelde propagandafilms gemaakt die de Franse bevolking na de bevrijding vertrouwd zouden maken met de omstandigheden waaronder het Franse verzet zijn werk had moeten verrichten.

Nu wachtte Hitchcock een vriendendienst, die hij aanvankelijk had onderschat zó gruwelijk. In een montagekamer in Wardourstreet, de door Duitse bombardementen gehavende Londense filmwijk, lagen tientallen blikken voor hem klaar, met 30.000 meter film met opnamen van wat de door Duitsland oprukkende Britse en Amerikaanse troepen in de vernietigingskampen hadden aangetroffen. Sidney Bernstein had zelf leiding gegeven aan de militaire filmploegen, die eind april 1945 in de voorste linies Buchenwald en Bergen-Belsen waren binnengetrokken. Hij had Duitse officieren en de bevolking van het plaatsje Dachau gedwongen het nabij gelegen kamp te bezoeken en hun reacties laten vastleggen. In korte tijd had hij ook filmmateriaal uit andere kampen verzameld en mee naar Londen genomen. Terwijl het werd ontwikkeld had hij zijn vriend Hitchcock telegrafisch verzocht of hij er een film van wilde monteren `zo objectief als een proces-verbaal, zij het van de gruwelijkste misdaad ooit in de geschiedenis van de mensheid begaan'.

De film moest de bevrijde wereld tonen en vooral het Duitse volk laten zien wat in zijn naam was begaan. Terwijl Hitchcock aan het werk toog, rees bij het Britse ministerie van Informatie twijfel over het effect van het in elk opzicht ongelooflijke project. Ook het Amerikaanse opperbevel gaf, naarmate Hitchcock met zijn montage vorderde, blijk van aarzeling. De beelden van de opeengestapelde lijken, de gaskamers, de bewaarde brillen, schoenen, kunstgebitten, de uitgemergelde lichamen van de overlevenden riepen zoveel afschuw op, dat het publiek en zeker het Duitse misschien alleen met ongeloof kon reageren. Wat met name de joden was aangedaan kon toch niet waar zijn? Was hier geen sprake van geallieerde propaganda waarvan vooral het jodendom zou profiteren? Toen die gedachte eenmaal was geuit, stond de autoriteiten het schrikbeeld van opnieuw oplaaiend antisemitisme voor ogen.

(Onwillekeurig doet het denken aan de overweging van de Nederlandse overheid om uit de kampen teruggekeerde joden geen uitzonderingspositie te geven teneinde in de woorden van Jaap Burger `niet in antisemitisch vaarwater te geraken.')

Hitchcocks enige film, die letterlijk op waarheid berustte, zou nooit worden vertoond. Hij werd opgeborgen in het Imperial War Museum, waar zes van de zeven door hem gemonteerde rollen nog steeds zijn.

Het zou tien jaar duren alvorens enkele scènes uit de Hitchcockfilm te zien waren. De Franse regisseur Alain Resnais toen in kleine kring bekend wegens studieuze filmportretten van Van Gogh en Gauguin nam ze op in zijn schokkende documentaire Nuit en Brouillard (1955) over de Duitse vernietigingskampen. In zijn proefschrift Televisie en Bezetting (1995) herinnert Chris Vos aan de onwil van de organisatoren om de documentaire in 1956 tijdens het filmfestival van Cannes te presenteren zolang de producent niet bereid was een vijf seconden durend shot te verwijderen van een gendarme in het Franse verzamel- en doorgangskamp Derancy. Nadat het tafereel ten slotte uit de film was gesneden, verwierf hij prompt een bekroning. Wat nu opvalt is dat in het commentaar bij de film met geen woord wordt gerept over de joden. De slachtoffers zijn slachtoffers zonder specifieke identiteit. Kennelijk was in het midden van de jaren vijftig de tijd nog niet rijp om het onverbloemd over de vernietiging van de joden te hebben, laat staan over de helpende hand die de eigen bevolking daarbij eventueel had geboden.

Alain Resnais heeft later verklaard dat hij geen specifieke aandacht op de joden in zijn Nacht-und-Nebel-document vestigde om niet de associatie in de weg te staan die hij had willen wekken met wat de Fransen op dat moment tijdens de vuile Algerijnse oorlog in hun overzeese provincie uitspookten. Inderdaad is uit de recente publiciteit rond de stuitende getuigenissen van de Franse `martelgeneraal' Paul Aussaresses gebleken dat tal van Franse dienstplichtigen in Algerije hun collega's van hun verschrikkelijke praktijken trachtten te weerhouden door hun onverhoeds meegebrachte foto's van de jodenvernietiging te laten zien soms met resultaat. Overigens slaagde de Duitse delegatie op datzelfde filmfestival erin om de Poolse inzending een documentaire over het getto van Warchau door de festivalleiding te laten weigeren.

Toch begon een periode waarin de `echte' Tweede Wereldoorlog meer en meer aandacht kreeg. Avondvullende bioscoopdocumentaires als Opmars naar de galg (1959) over de Neurenberger processen en Mein Kampf (1960) van Erwin Leiser, waarin voor het eerst van het joodse lot werd gerept, leken vijftien jaar later regelrechte onthullingen.

Dr. L. de Jong, die de laatste film bewerkte en van commentaar voorzag, zette als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie die tendens voort met zijn 21 afleveringen durende tv-geschiedschrijving over De Bezetting (1960-1965). De negende ging over `De Jodenvervolging'. Het is delicaat om er kritiek op te hebben, maar het ging hier eerder om een gesproken requiem met roerende algemeenheden en uitgesproken dank voor het heldhaftig protest van het Nederlandse volk dan om de resultaten van gedegen onderzoek. Er kwam om zo te zeggen geen jood in voor, behalve op foto's. Er was dat ene bekende filmshot uit Westerbork, dat een joods meisje toonde achter de half dichtgeschoven deur van een wegrijdende goederenwagon. Maar ook dat was niet onderzocht. Pas veel later zou blijken uit de film Gezicht uit het verleden (1994) van Cherry Duyns en Aad Wagenaar dat het hier een zigeunermeisje betrof.

Joden, jodenvernietiging! Waren de woorden ervoor te erg? Net als de realistische voorstelling erbij die wel degelijk voorhanden was, voor wie goed zocht?

De verlossing, als het dat was, kwam in 1978 dankzij de tv-soapfabrikant Marvin J. Chomsky. Hij maakte een geromantiseerde mini-serie in vier delen over de wederwaardigheden van twee Berlijnse families, de ene joods, de andere `gewoon', tijdens de oorlogsjaren. Het verloop hoef ik verder niet uit te leggen. In Amerika leidde de affaire tot diepgaande discussies over de ethische verhouding tussen melodrama en een gruwelijk onderdeel van de geschiedenis. Toen de film in Duitsland werd vertoond nagesynchroniseerd in de volkstaal was het stiller op straat dan ooit. Onderzoek heeft aangetoond dat vooral mensen onder de dertig jaar de vier weken van uitzending in een bijna permanente shocktoestand verkeerden. Voor het eerst hadden ze, en nu in kleur, de vernietigingskampen van binnen gezien en wat zich daar gefilmd in de hitte van de Burbankstudio's aan de Amerikaanse westkust had afgespeeld. De waarachtigheid ervan hadden ze herkend in de gezichten van Meryl Streep, Sam Wanamaker, James Woods, Ian Holm, David Warner, die ze zo goed kenden uit onbezorgder verhalen.

Was het werkelijk zo geweest? Er bestond geen twijfel meer aan.

De serie ondernam een inmiddels vaak herhaalde zegetocht langs de Europese televisiekanalen en werd in Nederland wegens de opeens hevig gewenste authenticiteit in de Duitse geluidsversie uitgezonden door de TROS. Oh ironie, was die omroep niet onstaan op het illegale REM-eiland, dat in de jaren zestig voor de Nederlandse kust door de oud-SS'er ing. P.S. Heerema was gebouwd?

Wat deze nazi-soap tot op de huidige dag onomstreden heeft gemaakt, alle rabbinale en anders geaarde ethische protesten ertegen ten spijt, is de titel. Hij heette Holocaust en daarmee had het onverdraaglijke zij het waarheidsgetrouwe begrip `jodenvernietiging' plotseling een eufemisme ten geschenke gekregen, waardoor het onderwerp geheel naar de geest van de tijd weer bespreekbaar was geworden. Holocaust, er staat niet wat er staat, maar dankzij de holle, spookachtige klank weten we de letters staan als cellen naast elkaar wat het betekent zonder dat andere hortende, veel verschrikkelijker woord te hoeven zeggen. Holocaust stamt uit het Latijn, holocaustum. Het betekent brandoffer.

We zijn nog even ver als we waren.

Waar is Hitchcock?