Bouwen aan je c.v.

Enkele jaren geleden schreef Galen Irwin, hoogleraar politicologie aan de Universiteit Leiden, een prachtig artikel over de verschillen tussen het Amerikaanse en het Nederlandse onderwijs. Irwins these was simpel: er bestaan geen intrinsieke culturele of genetische verschillen tussen Amerikaanse en Nederlandse studenten. Niettemin stoppen Amerikaanse studenten veel meer tijd in hun studie dan Nederlandse studenten. Dat komt omdat er in Nederland nagenoeg geen enkele premie staat op hoge cijfers. Het komt hoogst zelden voor dat een Nederlandse werkgever geïnteresseerd is in de cijferlijst van pas afgestudeerde academici die bij hem komen solliciteren. Nederlandse werkgevers willen weten wat de verse doctorandus naast zijn studie heeft gedaan: is hij een jaar naar het buitenland geweest, in welke hoedanigheid ook? Heeft hij een bestuursfunctie bekleed op zijn studentenvereniging? Was hij überhaupt lid van een studentenvereniging? Heeft hij hier of daar eens iets georganiseerd, een congres bijvoorbeeld? Van groot belang is ook of de aspirant werknemer de nodige sociale vaardigheden heeft en of hij `past binnen het team'. In de VS daarentegen is een werkgever zeer geïnteresseerd in het grade point average. Sociale vaardigheden, zo meent men daar, kun je werkende weg ook wel leren. Geen wonder dat de Amerikaanse student zich tot het uiterste inspant voor zijn studie, terwijl de gemiddelde Nederlandse student liever `werkt aan zijn c.v.' dan dat hij eens een extra boek ter hand neemt.

Het is niet alleen de Nederlandse arbeidsmarkt die geen enkele premie zet op hoge cijfers; in ons onderwijs zelf lijken cijfers ook van marginaal belang. Een enkele keer wordt wel eens een initiatief ontwikkeld ten behoeve van talentvolle leerlingen of studenten. Tegenwoordig gelukkig iets meer dan toen Irwin zijn artikel schreef in 1997: de Leidse rechtenfaculteit heeft een more-than-eight klas, in Utrecht kunnen goede studenten in het Engels studeren aan het University college, en er zijn vast meer voorbeelden, maar vergeleken met het onderwijssysteem in de VS, waar de beste van de klas `valedictorian' wordt, een toespraak mag houden op de dag van de diploma-uitreiking, en een beurs in de wacht kan slepen voor een gerenommeerde universiteit, stelt het nog steeds weinig voor. Als je geen carrière wilt maken in de wetenschap kun je in Nederland net zo goed proberen er met zesjes doorheen te rollen.

Op deze algemene lijn van denken bestonden volgens Irwin twee uitzonderingen. De eerste was de CITO-toets, ofwel je grade point average in groep 8 van de basisschool. Dat cijfer bepaalt je positie in het vervolgonderwijs en een goede ouder zal zijn kind dus op het hart binden op de basisschool niet tevreden te zijn met zesjes. De tweede uitzondering was de toelating tot de studie geneeskunde. Destijds bestond daarvoor het systeem van de gewogen loting, waarbij studenten met hoge cijfers meer kans hadden om ingeloot te worden. Niettemin moest ook daar het belang van goede cijfers niet worden overdreven; we herinneren ons allemaal nog de studente die met een 9,6 gemiddeld op haar eindexamenlijst toch tot twee keer toe werd uitgeloot. Zelf was ik nog pijnlijker getroffen door een verhaal in De Telegraaf dat ongeveer in diezelfde periode verscheen en dat ging over het lot van twee zusjes. Beiden wilden dokter worden, maar slechts een van hen was ingeloot. De ander was daardoor gek en ziek van jaloezie geworden en was bij de rechter in beroep gegaan tegen haar afwijzing. Tot mijn verbijstering liep dit voor het zusje in kwestie goed af. Psychische nood bleek een grond voor toelating te zijn.

Inmiddels is het systeem voor toelating bij geneeskunde gewijzigd: een deel van de beschikbare plaatsen valt toe aan leerlingen met hoge cijfers op hun vwo-diploma. Een ander deel mag door universiteiten zelf worden verdeeld. Het is interessant om te zien hoe universiteiten met deze bevoegdheid omgaan. Indachtig de observaties van Irwin zou ik zeggen dat universiteiten horen te selecteren op academisch talent. Aan de anti-academische houding van werkgevers kunnen universiteiten weinig doen, maar zij zouden toch op z'n minst zelf kunnen proberen academische ambities en prestaties te belonen. Een deel van de geneeskunde-faculteiten lijkt inderdaad in die richting te denken: men laat studenten daar een essay schrijven, een onderzoekje doen of stage lopen op de faculteit. Onheilspellend was echter een berichtje in NRC Handelsblad van afgelopen woensdag. De verslaggever citeert een aspirant-student met een 6,5 als examen-gemiddelde. ,,Steven Lemmens had, weet hij nu, moeten sollicteren naar een plek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Daar kom je ook binnen als je goed in sport bent. Ik ben wedstrijdroeier.'' De EUR, zo lezen wij verder, ,,selecteert op motivatie, aanleg en doorzettingsvermogen. Dat moet blijken uit nevenactiveiten op de middelbare school, zoals theater, muziek of sport.'' Nou nog mooier. Dan heb je als universiteit eens de kans om je aanstaande studenten te selecteren op intellectuele verdienste en dan ga je liever kijken naar hun nevenactiviteiten. De Rotterdamse onderwijsdecaan Splinter weet nu al zeker dat de geselecteerde studenten heel goede dokters zullen worden. Dat kan natuurlijk best waar zijn, hoewel we ons kunnen vragen wat Splinter onder een heel goede dokter verstaat. Vast niet iemand die een vaccin vindt tegen aids, een hartlongtransplantatie tot een goed einde weet te brengen, of kanker weet te diagnosticeren in een vroeg stadium, zodat er nog wat aan te doen valt. Maar belangrijker is dat het selectiebeleid van de Erasmus Universiteit suggereert dat je niet alleen geneeskunde kunt gaan studeren op basis van cijfers of academische aanleg. Je kunt ook op de middelbare school alvast gaan bouwen aan je c.v.